Westlander






Westlanders werden gebruikt voor alle soorten vervoer in het Westland. De producten van de tuinders werden er mee naar de veiling gebracht, maar er werd ook zand, grond, turf etc. mee vervoerd.
De Antonius is een typische geklonken ijzeren westlander. Kenmerkend voor westlanders zijn de sterk vallende (schuine) rechte voor- en achtersteven.
Van voren heeft de scheepshuid enigszins ‘bolle wangen’. Westlanders hebben een roefje waar de schipper en eventuele knecht in kunnen bivakkeren. Een roef is een opbouw met een kamertje dat als verblijf dient. Op westlanders woonde het schippersgezin niet aan boord, zoals bij grotere schepen als tjalken wel het geval was. Westlanders zijn goede zeilschepen. Als er geen wind staat kan de schipper een westlander voortbewegen door middel van het zogenoemde ‘wegen’: voor en achter heeft een westlander een goot in het dek (de weeggoot) waarin dwars op het schip een paal gestoken kan worden. Lopend op de kant kan de schipper de westlander zo voortduwen. Tegelijkertijd kan hij het schip zo ook op koers houden. Hierbij heeft de schipper geen assistentie nodig. Dat zou hij wel hebben als een schip getrokken wordt met een jaaglijn. Dan moet er altijd iemand aan boord zijn om te sturen. Aangezien schippers in het Westland vaak alleen op pad gingen, was het wegen erg handig.
Literatuur: Westlanders blijven varen – verhalen over schepen en schippers, uitgegeven door de vereniging Het Historisch Bedrijfsvaartuig in 2014.