Kerninformatie
- Sector
- vaartuigen (water)
- Type
- Baggermolen bagger en werkvaartuigen
- Functie of soort gebruik
- Baggerwerk; natte waterbouw. Aanleg en onderhoud natte infrastructuur (schoonmaken en uitdiepen vaarwegen); ophoging bouwterreinen voor industrie, woningbouw, "droge"infrastructuur (wegen) e.a.
- Bouwjaar
- 1941
- Fabrikant/Producent/Werf
- Holthuis Veendam
- Bron
- NRME
Aanvullende informatie
Culturele biografie: historische context Stoomkracht: sleuteltechniek in de geschiedenis De collectie van het Nederlands Stoommachinemuseum is opgebouwd rond één van de belangrijkste gebeurtenissen in de sociaal-economische geschiedenis van de westerse wereld: de toepassing van stoomkracht op tal van terreinen van het economisch en maatschappelijk leven. De Industriële Revolutie, die daarmee gepaard ging, heeft een enorme maatschappelijke impact gehad. De introductie en verdere ontwikkeling van de stoommachine en de vele toepassingen, waren zo bepalend voor de Nederlandse samenleving, dat stoom als een "sleuteltechniek" in de sociaal economische geschiedenis betiteld wordt. Uiteraard zorgde stoom niet overal voor wezenlijke veranderingen. In het wegverkeer bijvoorbeeld, in het lokale vervoer binnen de stadsgrenzen en in de kleinschalige, fijnmazige binnenvaart heeft stoom nooit veel betekend. Maar zoals we hieronder nog zullen zien waren er andere bedrijfstakken waar de toepassing van stoom baanbrekend was en ontwikkelingen mogelijk maakte, zonder welke het huidige Nederland niet had bestaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor de grootschalige, industriële productie, de spoorwegen en voor de grote scheepsbouw en scheepvaart. Én voor de bedrijfstak, die voor de gehele Nederlandse samenleving een belangrijk deel van de infrastructuur verzorgde: de natte waterbouw. Het natte verleden van ons land Vanaf de Middeleeuwen zijn de bewoners van het westelijk en noordelijk deel van ons land er op bewonderenswaardige wijze in geslaagd een succesvol bestaan op te bouwen. Het water was daarbij een belangrijke bondgenoot: dankzij de gunstige ligging van ons land tegenover belangrijke handelsstromen, een uitgebreid stelsel van binnenlandse waterwegen en een sterk ontwikkelde neus voor het benutten van de kansen en mogelijkheden van het water, beleefde Nederland uiteindelijk z'n Gouden Eeuw. En hoewel daarop een lange periode met een minder tot de verbeelding sprekende economie volgde, kon in de tweede helft van de 19e eeuw, de tijd van de Industriële Revolutie, opnieuw optimaal geprofiteerd worden van het water. De scheepvaart leefde op en, veel meer nog dan Amsterdam, kwam nu Rotterdam als havenstad tot bloei. Een nieuwe tijd van snelle economische ontwikkelingen brak aan, soms wel de "Tweede Gouden Eeuw" genoemd. Nederland is een land met een maritiem verleden, zoals weinig landen dat kennen. Niet altijd goed gezind We weten echter ook, dat het water ons niet altíjd zo goed gezind is geweest. Eigenlijk van het begin af aan al niet. Nederlanders in het westen en in het noorden hebben hun land werkelijk op het water moeten veroveren. Ze moesten dijken bouwen en water afvoeren; én ze moesten er voor zorgen dat het afgevoerde water niet terugkwam en het land weer overstroomde. Er moest een hele waterhuishouding ontwikkeld worden met dijken, sluizen en gemalen en met netwerk van sloten, vaarten en kanalen om een vlotte afwatering te regelen. Toen men het binnenwater eenmaal als economisch zeer profijtelijk had ontdekt, en havens en waterwegen had ontwikkeld en in gebruik genomen, kwam men er achter dat er aan dat Nederlandse water ook nog wat andere nadelen verbonden waren. Baggeren: basis voor wonen en werken Die nadelen hadden vooral te maken met zand en slib. Bekend zijn de verhalen over Stavoren in Friesland, het Zwin in Vlaanderen en Pampus bij Amsterdam. Die verhalen symboliseren een verschijnsel dat in de lage landen al net zo bekend werd als de scheepvaart zelf: het dichtslibben. De rivieren voeren zand en slib aan uit de gebieden waar ze vandaan komen, de zee brengt zand en slib mee tijdens opkomend tij en in het vaak niet of langzaam stromend water zakken plantenresten, gevallen bladeren en ander afval gemakkelijk naar de bodem. Daar was en is maar één kruid tegen gewassen: baggeren. Onze "natte infrastructuur", van kleine slootjes tot grote kanalen en havens, moest en moet in ons land voortdurend worden schoongehouden, Voor de scheepvaart, maar ook voor de waterhuishouding; voor de "afwatering" zogezegd. Zonder onderhoud slibt het Nederlandse water dicht en zo werd het baggeren een basisvoorwaarde om hier überhaupt te kunnen wonen en werken. Baggeren en ophogen Het begrip "baggeren" lijkt dus in eerste instantie te verwijzen naar het onderhoud van waterwegen door het opruimen van de rommel die daar zoal aanwezig is. De baggeraar als water-vuilnisman. Daarmee doen we de baggeraars (historisch gezien, maar ook in het heden), te kort. Al snel ging, wat we nu "de baggeraar" noemen, zich met veel meer zaken beziggehouden. Baggeren en dijkaanleg bleken in elkaars verlengde te liggen; het materiaal voor de dijk werd in eerste instantie meestal uit de directie omgeving gehaald en met schep en kruiwagen een paar meter verderop weer neergelegd. Het "grondverzet" in z'n meest primitieve vorm. Meestal bleek zo'n simpele dijk niet echt te voldoen en moesten er andere materialen aan te pas komen als wier, rijshout, houten palen, keileem en stenen. Baggeren en natte waterbouw En wie land kan ophogen voor dijken, kan dat ook voor grotere waterstaatkundige werken als kades, pieren, havens en desnoods hele eilanden. Nog verder gaand komen de polders, de droogmakerijen; de winning van land op water met andere woorden. De auteur Hans Vandersmissen maakt het verband tussen beide activiteiten ophogen en uitdiepen zeer aanschouwelijk in zijn jubileumboek van het Centrale Baggerbedrijf in 1986. Dat Nederlanders daar op den duur ware meesters in zijn geworden, zien we niet alleen in ons eigen land, maar wereldwijd, waar Nederlandse bedrijven op tal van plaatsen actief zijn bij het aanleggen van grote waterstaatkundige werken. Officieel wordt de sector vaak de "natte waterbouw" genoemd, maar geen ondernemer voelt zich beledigd wanneer hij nog altijd als baggeraar wordt aangesproken. Baggerbolwerk Het is daarbij opvallend, maar niet heel verwonderlijk, dat veel baggeraars en dijkwerkers langs de Merwede, uit de Alblasserwaard vandaan kwamen. In dit waterrijke gebied vonden vanaf de Middeleeuwen de meeste aanslagen plaats op vruchtbare grond en bloeiende nederzettingen. Hier stelde men zich het felst teweer tegen de waterwolf, raakte men het meest gehard in de strijd, deed men de meeste ervaring op en was men voortdurend bezig met het bedenken van nieuwe technieken. In plaatsen als Werkendam, Hardinxveld en Sliedrecht ontstaan hele "aannemersfamilies" en reeds in de 17e eeuw zien we baggeraars uit deze plaatsen overal in Nederland opduiken als er waterwerken uitgevoerd moeten worden. In de loop van de tijd blijkt Sliedrecht het meest vruchtbare milieu voor baggerfamilies en ontwikkelt deze plaats zich tot het baggerbolwerk van Nederland. Baggeren naar delfstoffen De baggeraar was dus algemeen actief in de strijd tegen het water, het winnen van water op land en het aanleggen en onderhouden van waterwegen. Uitdiepen kon daarbij, we zagen het hierboven al, ook materiaal voor het ophogen leveren; delfstof met andere woorden. Dat is in Nederland op grote schaal gebeurd en het gebeurt nog steeds. Zand is in het westen van Nederland altijd een onontbeerlijke delfstof geweest, die nodig was voor stadsuitbreidingen. De stadsuitbreiding van Amsterdam in de Gouden Eeuw heeft een enorme bres geslagen in delen van de duinstreek en in het Gooi. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw steeg de behoefte aan zand explosief door de enorme verstedelijking en de aanleg van grond voor woningbouw, industrie en infrastructuur. Schep en kruiwagen boden niet langer soelaas en ook hier verscheen de baggermolen ten tonele die het allemaal veel sneller en beter kon. Ook grind was een gewilde delfstof voor de bouw, die langs mechanische weg vanaf grote diepte snel en efficiënt gewonnen kon worden. Werd zand wel het "witte goud" genoemd, een andere delfstof die ons land veel voorkwam, het veen waar turf van werd gemaakt, kreeg als bijnaam het "zwarte goud". In de lage delen van ons land in het westen, in Friesland en de kop van Overijssel was ook dat een kwestie van baggeren. Baggeren met stoom Oorspronkelijk zijn dijkenbouwers, baggeraars en verveners met scheppen in de weer geweest. Hoe natter de waterbouw, hoe lastiger zo'n schep is en de baggerbeugel kwam in de Middeleeuwen dan ook als geroepen. Nog wat later werd het principe van een scheprad en weer later de emmermolen ontwikkeld. Zo verscheen in de 16e en 17e eeuw her en der de door mens of paard aangedreven moddermolen. Begin 19e eeuw werd op tal van plaatsen geprobeerd de in de eeuw daarvoor door Newcomen uitgevonden en door James Watt geperfectioneerde stoommachine in te zetten voor allerhande doeleinden, ook in het transport. In ons land viel in 1816 de eerste stoomboot te bewonderen, in 1839 reed de eerste trein en ook op de weg werden proeven genomen met stoomwagens. Het zou echter nog even duren voor het nut van stoomkracht alom erkend werd. In het algemeen is het bekend dat in Nederland de Industriële Revolutie wat langer op zich liet wachten en ook de toepassing van stoom in de natte waterbouw werd door de baggeraars in eerste instantie met argusogen bekeken. Koning Willem I liet reeds in 1824 bij Rijkswaterstaat de eerste stoombaggermolen in gebruik nemen om er de haven van Antwerpen mee uit te baggeren, maar tot grote navolging leidde dat nog niet. Baggeren zonder stoom: ondenkbaar Het effect van de stoombaggermolens werd pas duidelijk bij de nieuwe grootschalige waterwerken die mogelijk werden door de wetten die Thorbecke in 1863 door het parlement loodste. Hoewel met name het Noordzeekanaal nog voor een deel met de hand werd gegraven, werden door de Engelse aannemers die deze klus klaarden, ook reeds stoombaggermolens ingezet. En de aanleg van de Nieuwe Waterweg, die in eerste instantie niet wilde vlotten, werd pas werkelijk een succes toen ook hier gemechaniseerde baggerwerktuigen werden ingezet; stoombaggermolens, maar ook al stoomhopperzuigers. Daarna ging het snel. Het Rivierenrapport van Rijkswaterstaat zorgde decennialang voor een de enorme hoeveelheid baggerwerken bij het uitdiepen en vergroten van rivieren en kanalen; dit werk was zonder stoom ondenkbaar geweest. Baggeren in soorten en maten De baggermolen heeft een wonderbaarlijk lange geschiedenis gekend als we weten dat de eerste molens reeds halverwege de 19e eeuw werden ingezet en dat ze anno 2008 nog steeds worden gebruikt, zij het relatief sporadisch. In werking en techniek veranderde er al die tijd eigenlijk niet zo veel, maar wel werden ze al groter en groter. De kleinste baggermolens hebben een emmerinhoud van zo'n liter of 50, terwijl in de loop der tijd de emmerinhoud wordt opgevoerd tot ver boven de 1000 liter. Verder wordt het aantal emmers per ladder groter en krijgen de machines meer vermogen, waardoor de snelheid van de ladder kan worden opgevoerd. De baggermolens krijgt bovendien concurrentie van ander materieel zoals hopperzuigers en snijkopzuigers, waarmee doorgaans nog sneller kan worden gewerkt, met de laatste vooral als het om wat hardere grond gaat. Dit zijn echter wel apparaten van lange halen, snel thuis. Als er heel precies gewerkt moet worden en een mooie vlakke bodem moet worden gemaakt, blijft de baggermolen het favoriete werktuig. Zo treedt er in het baggermaterieel een vorm van specialisatie op, waarbij voor elk karwei het juiste materieel kan worden ingezet. Internationaal baggeren Nadat eind 19e eeuw enkele grote binnenlandse baggerwerken min of meer waren afgerond, leek er een overschot aan groot baggermaterieel te ontstaan. De ondernemende Hollandse baggeraars zochten elders emplooi en zwierven daartoe over de gehele wereld. Na 1890 trok de wereldeconomie aan en er ontstond veel vraag naar diepe havens, omdat de schepen steeds groter en zwaarder werden. De Nederlandse baggeraars begonnen aan hun opmars. Zij vonden werk in Frankrijk, Rusland, Roemenië, China en Zuid-Amerika. Moest men zich in eerste instantie tevreden stellen met baggermolens uit Luik (Luikenaars), eind 19e eeuw hadden ook Hollandse scheepswerven de fijne kneepjes van het bouwen van baggermaterieel onder de knie. Met name de werf van J & K Smit in Kinderdijk bouwde solide en geavanceerd materieel en kon grote machines bouwen, ook voor buitenlandse klanten. In 1895 werd al een baggermolen met een emmerinhoud van 350 liter aan China geleverd. Op die levering zijn er velen gevolgd. Veen baggeren Gaan we even terug in de geschiedenis van ons eigen land, dan zagen we al veel waterwerkers, die goed waren in het ophogen om zich tegen het water te beschermen en het uitdiepen om de scheepvaart in goede banen te leiden, maar ook de baggeraars die het vooral om delfstoffen te doen was. Veen bijvoorbeeld waarvan turf werd gemaakt. Behalve in Holland gebeurde dat op grote schaal in Friesland en in de kop van Overijssel. Vooral rond Giethoorn werd het baggeren van laagveen geperfectioneerd door onder andere een speciaal soort ijzeren baggerbeugels te gebruiken, waarmee op grotere diepten gebaggerd kon worden. De veenwerkers uit Giethoorn lieten geen legakkers over omdat ze dat maar zonde van de turf vonden. Het gebaggerd materiaal werd direct per bok afgevoerd. Zo werd veel veen gewonnen rond Giethoorn, maar het was ook relatief snel afgelopen. Begin 19e eeuw was er bijna geen veen meer over en legde Koning Willem I het ontginnen hier aan banden. Hollands en Fries baggeren De Gietersen lieten het er niet bij zitten en trokken naar het naburige zuid-oosten van Friesland om daar hun veenwerk voort te zetten. Samen met de Friezen zélf, die al eeuwenlang de turfwinning beoefenden maakten ze Friesland tot de waterrijkste provincie van ons land. Veel Gieterse baggeraars vestigden zich in Oudehaske bij Heerenveen. Toen de turfwinning hier ook op z'n eind liep, schakelden enkele ondernemende lieden over op wat je verder nog met een baggerbeugel en een bok kon doen: het aanleggen en onderhouden van waterwegen. Zo ontstond, tamelijk geïsoleerd van de Hollands baggerindustrie, het Friese baggerbedrijf. In het algemeen kwam de mechanisatie hier wat later op gang en bleef het geheel een stuk kleinschaliger, maar in de loop van de 20 eeuw ontstond ook in Friesland een bloeiende bedrijfstak met Oudehaske als noordelijk "baggerbolwerk". We komen hier een aantal bekende bedrijven tegen met namen die op een Gieterse afkomst wijzen zoals Dikkerboom en Krikke. De tweede helft van de 20e eeuw De jaren 1960 laten in de internationale baggerij een steeds verdere expansie zien van de Nederlandse baggeraars, die met de toenemende wereldhandel en een groeiende economie steeds meer emplooi vinden in het graven van havens en kanalen en het bouwen van vliegvelden en hele steden in zee. Daarbij vindt in de sector in de tweede helft van de 20e eeuw een flinke schaalvergroting en concentratie plaats. Aan het eind van de 20e eeuw zijn er in Nederland nog twee grote internationale baggeraars, maar die behoren dan ook tot de top vier van het wereld-baggerbedrijf. De Belgen hebben het trouwens ook altijd goed gedaan, de beide andere wereldbedrijven zijn Belgisch. Op nationaal niveau gaan de ontwikkelingen minder hard, hoewel de Deltawerken, de Zuiderzeewerken en een snelle economische groei ook hier voor een almaar uitdijende baggerportefeuille zorgen. Hoewel stoom in het binnenlandse baggerwerk nog lang een belangrijke rol blijft spelen, wordt vaak de kolenstook door schonere en efficiëntere oliestook vervangen en wordt zelfs in toenemende mate dieselelektrische aandrijving gebruikt. Modern baggeren Het klassieke baggerwerktuig, de baggermolen, kreeg aan het eind van de 20e eeuw steeds meer concurrentie van een variëteit aan materieel, dat voor steeds meer specialistische opdrachten werd ontwikkeld. De baggertaken kunnen zo steeds beter, sneller en vooral goedkoper verricht worden. Op een harde bodem, zoals in rivieren en kanalen, wordt vaak gebruik gemaakt van een snijkopzuigers, die steeds secuurder kunnen werken. Baggeren en storten over wat grotere afstanden gebeurt veelal met sleephopperzuigers. Voor het uitbaggeren van waterwegen is de 'backhoe' zeer geschikt, een baggervaartuig bestaande uit een ponton met een hydraulische graafmachine met hydraulische kraan met lepelbak of knijper die het bodemmateriaal van de bodem schept en, bijvoorbeeld, in een beunschip laadt. Ook kraanschepen kunnen worden ingezet bij baggerwerkzaamheden. Met een grijper kan baggermateriaal van de bodem worden gegraven en in een beunschip geladen, terwijl bij het kleinere werk de schuifboot wordt ingezet of gewoon vanaf de kant wordt uitgebaggerd. Het traditionele bedrijf: verdwenen De eisen werden steeds strenger, vooral op het gebied van het milieu. Nergens kan meer "zomaar" worden gestort na overleg met de eigenaar van een stuk grond, lekker dicht bij de werkzaamheden. De arbeidkosten stegen, wat noopte tot besparingen op personeel. Waar een baggermolen al gauw een permanente bezetting van vijf man meer personeel vraagt kan een kraanscheepje met dezelfde mogelijkheden doorgaans met één man toe, af en toe tijdelijk ondersteund door personeel, dat daartoe de diverse werken afrijdt. Nieuwe baggermethodes raken steeds meer zwang en ook in het baggerbedrijf doet de computer z'n intrede. Dat vergt investeringen in een markt waarin tegelijkertijd schaalvergroting en concentratie plaatsvindt en waar net als overal elders slechts de grote of de gespecialiseerde bedrijven overleven. Zoals de voormalige van de eigenaar van de Vooruit, Sander Krikke, het uitdrukt: "Het traditionele baggerbedrijf is langzaamaan verdwenen". Culturele biografie: historie van het object De start van baggerbedrijf Krikke Rond 1880 wordt de grondslag gelegd voor het huidige Krikke BV, als Wieger Krikke, afkomstig uit Oudehaske, enkele kleine baggerwerken aanneemt in Stavoren. Aanvankelijk vinden de baggerwerkzaamheden plaats met de baggerbeugel, maar door sterke uitbereiding van de werkzaamheden kan in 1904 een baggermolen worden aangeschaft. Daarmee wordt door Krikke een eerste en belangrijke stap in de geschiedenis van de moderne baggerindustrie gezet. Tot aan de Tweede Wereldoorlog wordt het materieelpark gestaag uitgebreid met een tweede stoombaggermolen, een elevator, een bakkenzuiger, elevatorbakken en onderlossers. Er wordt met name gewerkt in opdracht van waterschappen en overheden en er worden belangrijke bijdragen geleverd aan diverse kanalisatie-werkzaamheden die tot doel hebben de waterwegen in het Friese geschikt te maken voor de steeds groter wordende binnenvaartschepen. De stoombaggermolen Vooruit In de oorlog kunnen met enige moeite de werkzaamheden worden voortgezet. In 1941 wordt de reeds voor de oorlog bestelde nieuwe stoombaggermolen Vooruit geleverd; molen en machines worden gebouwd door Holthuis in Veendam. Daarna moet Krikke tot na de oorlog wachten tot er weer ruimte is voor nieuw materieel. Er komt een motorbakkenzuiger, waarmee ook bij Krikke de verbrandingsmotor z'n intrede doet en er volgen nog een profielzuiger en een dragline. Ook sleepboten en bakken behoren tot het materieelpark, waarbij rond 1960 de laatste stoomboten door motorslepers zijn vervangen. Dan wordt ook de eerste diesel-elektrische baggermolen aangeschaft. Ook woonarken horen lange tijd bij de standaarduitrusting. De Friese baggeraars zijn gewend hun hele hebben en houwen mee te nemen, op hun tocht langs de werken. Krikke heeft in goede tijden zo'n tien woonarken in het bedrijf. Belangrijk werk Aan het eind van de oorlog wordt een zeer belangrijk werk aangevangen, waarmee Krikke tot in de jaren 1950 bezig zal zijn en waarbij de Vooruit volop wordt ingezet, namelijk het in cultuur brengen van de Noordoostpolder, onderdeel van de Zuiderzeewerken en na het gereedkomen van de Afsluitdijk een nieuw stukje "Neerlands glorie". Behalve een deel van het afwateringssysteem, wordt hier de haven van Emmeloord aangelegd. Verder worden in de eerste decennia na de oorlog belangrijke infrastructurele werken verricht, zoals de aanleg, voltooiing en het op diepte brengen en houden van (delen van het) Prinses Margriet kanaal en het Van Harinxmakanaal , het kanaal naar Drachten en de nieuwe haven van Drachten. Krikke is ook actief ten behoeve van infrastructurele werken op het land. Er wordt grond opgespoten voor industrieterreinen, woonwijken en wegen. In de jaren 1960 wordt gewerkt aan de snelwegen van Drachten naar Leeuwarden en die door de polders naar Heerenveen. Het deel van deze weg dat over de vaarweg door het Tjeukemeer voert, is een spectaculair werk in die tijd, waarvoor funderingswerkzaamheden worden uitgevoerd. Vooral voor de provincie In de afgelopen decennia heeft de firma Krikke zich als middelgroot bedrijf in de Friese baggerij steeds weten te handhaven, mede dankzij een groot aantal werkzaamheden voor de Provincie, al die jaren een grote, trouwe en tevreden opdrachtgever. Dat laat onverlet dat zich sinds de jaren 1990 een aantal belangrijke veranderingen hebben voorgedaan in de regionale baggerij, die het bedrijf van Krikke niet onberoerd laten. We zagen al eerder dat de eisen op milieu gebied steeds strenger worden, de arbeidkosten stijgen, nieuwe baggertechnieken in gebruik raken en ook in het baggerbedrijf de computer z'n intrede doet. Dat vergt forse investeringen in een markt waarin tegelijkertijd schaalvergroting en concentratie plaatsvindt en waar rond het jaar 2000 een kortdurende, maar ernstige malaise optreedt. Van de tien bedrijven , die zo'n dertig jaar geleden de wateren in Friesland en daarbuiten "op orde" hielden, bleven er steeds minder over; op een gegeven moment was Krikke BV nog het enige bedrijf, dat zich in Friesland uitsluitend met baggeren bezig hield. Dat gebeurde op traditionele wijze, met een kolengestookte baggermolen. Al het onderhoudswerk werd in de eigen werkplaatsen uitgevoerd. De poort dicht doen De huidige eigenaar/directeur, dhr. Sander Krikke heeft het bedrijf in z'n laatste glorietijd meegemaakt. Hij is de vierde generatie in het bedrijf en begon eind jaren 1960. Hij heeft toen ook nog wel aan de baggerbeugel gestaan als dat zo uitkwam. Z'n jeugd bracht hij nog door in een woonark; pas in 1968 ging hij aan de wal wonen. Hij zag zich enkele jaren geleden om gezondheidsredenen genoodzaakt te stoppen. Hij heeft, zoals dat in het oude baggerbedrijf gewoonte was, als baas altijd meegewerkt: "Ik ben een praktijkmens, niet iemand voor kantoor". Maar dat heeft hem wel zijn rug gekost en omdat opvolging niet voorhanden is, bouwt hij het bedrijf nu af. Dat is niet makkelijk: "Het is altijd een succesvol familiebedrijf geweest; het valt niet mee daar straks als laatste Krikke de poort dicht te doen." Culturele biografie: het object als erfgoed De stoombaggermolen Vooruit wordt voor het laatst gebruikt in 1991. Daarna lag de molen tot de zomer van 2004 bij de werf van Krikke in het water. Krikke kon en wilde de baggermolen niet langer verzorgen en de kans was groot dat de machine gesloopt zou worden. De Vereniging van Waterbouwers in Bagger-, Kust- en Oeverwerken VBKO zag dit met lede ogen aan en heeft fondsen verworven om deze laatste kolengestookte stoombaggermolen aan te kopen, een eerste werfbeurt te geven en naar Medemblik te transporteren. Culturele biografie: conclusie Deels is het verhaal van de Vooruit een specifiek verhaal van een object binnen de Friese baggerij, in dienst van een bijzonder bedrijf, Krikke BV, dat onder leiding van eigenaar Sander Krikke, nog zo lang de zaak draaiend heeft gehouden; onder meer met een kolengestookte stoombaggermolen, waarvan we met vrij grote zekerheid weten, dat het de laatste in Nederland is geweest. Het verhaal van de Vooruit is dus deels een specifiek bedrijfs- en regiogebonden verhaal, maar het bevat zeer veel generieke elementen. Er komt immers in het specifieke verhaal een groot aantal aspecten aan de orde, die ook op nationaal niveau hun betekenis hebben. De culturele biografie van de Vooruit is deels een standaard-verhaal, dat van iedere stoombaggermolen verteld zou kunnen worden. Zoals gezegd, moeten er alleen in Nederland in de loop van ruim een eeuw al honderden en honderden geweest zijn; elk van hen speelde zijn rol op het schouwtoneel van de aanleg en het onderhoud van onze water-infrastructuur en elk had daar z'n aandeel in. En het principe van de stoombaggermolen is immers in grote lijnen hetzelfde, of het nu om een middelgrote baggermolen gaat met een emmerinhoud van 250 liter of een hele grote met een inhoud van 1000 liter of meer. Deze gegevens maken de culturele biografie van de Vooruit tot een inhoudelijk belangrijk verhaal, dat op zich mede-waardebepalend is én een stevige basis legt voor de verdere waardebepaling.
Geschiedenis
Deze stoombaggermolen is ondergebracht bij het Nederlands Stoommachinemuseum.
Materiaal
Staal en gietijzer (emmers); grotendeels geklonken, onderdelen van mangaanstaal.
Ontwerper(s)
Holthuis Veendam




