

Kerninformatie
- Sector
- wegvoertuigen
- Type
- Rijtuigen; sleden
- Functie of soort gebruik
- De functie van dit vervoermiddel is tweeërlei: het originele gebruik als vervoermiddel en statussymbool aan het hof van de Shogun in Japan. Pakweg tussen 1780 - 1850. Onze draagkoets is zo rijk uitgevoerd dat hij alleen werd gebruikt voor zeer hooggeplaatsten aan het hof. En als onderdeel van de collectie kunst, antiek én vervoermiddelen verzameld door Etienne baron van Zuylen van Nijevelt (1860-1934) en Hélène barones De Rothschild (1863-1947) op Kasteel de Haar in Haarzuilens, tussen 1890-1915. De baron en barones waren pioniers op het gebied van moderne mobiliteit: autorijden en vliegen. Etienne was oprichter van de automobielclub de France en erevoorzitter van de Nederlandse automobielclub. Hij was de eerste met een wagenpark, naast stallen ook garages op zijn landgoederen. Hij organiseerde en nam deel aan rally’s door Europa. Hélène was een van de eerste vrouwen met een rijbewijs, reed ook rally’s. Samen bezaten ze de mooiste rijtuigen, maar ook automobielen en vreemdsoortige vervoermiddelen als de Japanse Draagkoets, een Ceylonse hackerycart (inclusief zeeboe’s), een bokkenwagen, slede, 18e-eeuwse Japanse draagkoets. Diverse automobielen als Dion Boutons en….. Hun collectie roerend erfgoed brengt ook in beeld dat zij nog een bijkomdende reden hadden om te kijken naar ándere vervoermiddelen dan het rijtuig. Zij wilden namelijk de functie als last- of trekdier van het paard op termijn de wereld uit helpen. Overigens hadden zij ook een heel verdrietige primeur. Hun oudste zoon kwam om bij een auto-ongeluk in het Belgische Rumpst in 1912. Zij lieten daar een bermmonument plaatsen (misschien ook wel het eerste?) Daarnaast functioneerde dit object ook als statussymbool binnen de collectie die de baron en barones op Kasteel de Haar bijeenbracht. Het kasteel, dat baron Etienne in ruïneuze toestand erfde van zijn vader in 1890 werd (dankzij het fortuin van zijn echtgenote) ook on-Nederlandse dure en luxe wijze herbouwd door architect Pierre Cuypers. De baron en barones waren niet van plan om op het Kasteel te gaan wonen maar zagen het als representatief buiten voor de ontvangst van hun relaties. Tevens moest het ook functioneren als museum voor de roemruchte Van Zuylens, de voorvaderen van baron Etienne. De baron en barones vulden hun nieuwe buiten met kostbare kunst en antiquiteiten. Ze waren geen kunstverzamelaars pur sang, maar kochten wat attractief was, iets vertelde over hun belangstelling en dat rijk en luxe aandeed. Bij voorkeur ook van formaat, want het kasteel was groot. Zij kochten o.a. heel bijzonder en zeldzaam tapisserie, middeleeuwse altaarstukken en als gezegd, curieuze transportmiddelen. En naar de mode van die tijd: heel veel Aziatica. Het object is nog steeds uniek in Nederland, er is geen tweede in Nederlandse openbare kunstcollecties. Ook binnen Europa zijn ze zeldzaam, alleen het Louvre en het Victoria en Albert bezitten een draagkoets.
- Techniek voortbeweging
- Koets van ca. 130 x 140 cm met dak met overstek en koperen bevestigingen waardoor een draagbalk van ca. 460 cm kan worden geschoven. Aan twee zijden kunnen de wanden die in een richel lopen opengeschoven worden. Het dak van de koets kan gedeeltelijk opengeklapt worden. In de voorzijde en beide zijpanelen zijn ‘shutters’ aangebracht die naar believen kunnen worden open- of dichtgezet. De draagbalk werd op de schouders gedragen door een of twee dragers aan de voorzijde en een of twee aan de achterzijde. De dragers liepen in looppas.
- Periode gebruik
- 1780 - 1850
- Bouwjaar
- 1780
- Bron
- NRME
Aanvullende informatie
Materiaal
Over de constructie van het frame van een dergelijke 18e-eeuwse houten draagkoets is weinig bekend. Er is wel meer bekend over de afwerking: Het is een houten vervoermiddel in zwart lakwerk met ingelegd messing ornamenten, het Tokugawa familiewapen (in messing) en goudkleurige geschilderde decoraties zoals bloemenranken. Het interieur is bekleed met beschilderd en verguld papier en is voorzien van twee armsteunen en een rugsteun bekleed met stof. (zie foto 1). Japans lakwerk werd al vanaf de 16e eeuw in Japan gemaakt en was een belangrijk deel van de handel tussen Nederland en Japan door de VOC. Een houten vorm werd door speciale houtbewerkers in de juiste vormen gezaagd of gesneden. Alleen oude en goed gedroogde houtsoorten konden worden gebruikt. Scherpe randen werden gepolijst en geschuurd, voegen werden opgevuld. Daarna werd alles ondergedompeld in sap van onrijpe kaki vruchten, vervolgens gepolijst. Randen en zwakke plekken werden bedekt met zijde, hennep of katoenen stof om kromtrekken en splinteren te voorkomen. Daarna werd alles opnieuw gepolijst. Daarna begon met het opbrengen van vijf verschillende laklagen die op zich ook weer verscheidenen malen werden aangebracht. De onderlaag bijvoorbeeld, van lak, poeder en houtskool, werd soms wel 30 x opgebracht. De laatste laag bestond uit transparante lak. De glans van de voorwerpen kwam niet alleen door de lak maar ook door het steeds herhalende drogen en polijsten. De laatste laklaag werd met grote zorg en geduld met natte stukjes houtskool gepolijst. Dat werd weer gevolgd door een behandeling van fijne slijpsteen. De volgende stap was het polijsten met de droge poeder van gebrande hertshoorn op een zachte doek. Japans lakwerk






