Citroën DS




Ook auto's in het duurdere segment van de middenklasse droegen hun steentje bij aan de naoorlogse massamotorisering. Zo ook de Citroën DS 19, die bij de presentatie in 1955 beslist excentriek te noemen was, net als het koperspubliek. De auto gold en geldt als een icoon van revolutionaire vormgeving en techniek.
Toen de DS 19 in 1955 werd gepresenteerd was hij beslist revolutionair te noemen. De auto ging regelrecht tegen alle vormgevingsconventies in en verwierf ogenblikkelijk iconische status. Maar ook technisch was de auto heel geavanceerd, met zijn voorwielaandrijving, hydropneumatische veersysteem en de hydraulische bedieningen van remmen, koppeling, transmissie en besturing. Het is tevens de eerste massaproductieauto met schijfremmen. Opmerkelijk is het polyester dak op de vroege modellen. Het is toegepast om gewicht te besparen.
Een jaar na de introductie van de DS kwam er al een eenvoudiger uitvoering op de markt, de ID, die in Nederland onder de modelnaam ‘Idéal 19’ werd verkocht. Als meest luxe versie van de DS verscheen de Pallas.
Opmerkelijk is dat de – tamelijk dure – DS in die tijd een slechte reputatie had: hij zou onbetrouwbaar zijn en veel roesten. Die slechte reputatie zorgde voor lage inruilprijzen, zodat DS rijden kostbaar was. Het koperspubliek maakte dat kennelijk niet veel uit; dat was al even excentriek als de auto zelf. Terwijl veel bedrijven de auto te opzichtig of zelfs vulgair vonden, waren mensen in vrije, wat kunstzinnige beroepen er juist dol op.
In 1968 werd het front van de auto sterk veranderd en werden onder meer met het stuur meedraaiende koplampen toegepast. De productie van de Citroën DS, die in Nederland bijnamen heeft als ‘De snoek’ en ‘Het strijkijzer’, stopte in 1975.