Elektrische stadstram






Eind 19e eeuw komt vrijwel tegelijk met de benzinemotor de elektromotor tot ontwikkeling. We zien de opkomst van de elektrische tram, vooral in het stadsvervoer, maar ook op de drukkere interlokale lijnen worden elektrische trams in gebruik genomen. Daarna volgen de spoorwegen, waar we in 1908 de eerste elektrische treinen zien rijden en daarna gaandeweg het spoorwegnet grotendeels geëlektrificeerd zien worden. Zo wordt het railverkeer ‘ontstoomd’ en zorgt de elektrificatie er vanaf de jaren 1910 voor dat veelvuldig en frequent stoppen van trams en treinen vergemakkelijkt wordt. Zo verdwijnen ook rook en stoom en wordt het openbaar vervoer voor het publiek aantrekkelijker.
Interessant is, dat ook in het wegverkeer tijdens de eerste decennia de elektromotor veel wordt toegepast. De elektrische auto kende een korte bloeiperiode en was populair bij taxibedrijven en bedrijven zoals de Gemeentelijke reinigingsdiensten. Als de actieradius maar niet te groot was. Uiteindelijk delfde de elektrische auto echter het onderspit en was had in de jaren 1920 deze tractievorm de concurrentie in het wegverkeer wel verloren. Toch kwam het elektrisch vervoer in het wegverkeer weer terug. In de decennia na de oorlog in de vorm van de bestelwagen voor bakker, groenteboer, melkboer en andere huis-aan-huisbezorgers (de SRV niet te vergeten). En aan het eind van de 20e eeuw als oplossing voor de milieuproblemen, die de mobiliteit in het algemeen en de auto in het bijzonder veroorzaakte.
In 1905 reed de eerste elektrische tram in Rotterdam. Daarmee werd de basis gelegd voor een uitgebreid netwerk van elektrische tramlijnen. Het allereerste motorrijtuig van de Rotterdamsche Elektrische Tramweg Maatschappij is bewaard gebleven. Het staat model voor de vroegste elektrische stadstrams in Nederland.
Omstreeks 1880 begon de grote trek van bewoners van omliggende gemeenten naar de stad Rotterdam. De behoefte aan betrouwbaar lokaal vervoer nam toe. In 1879 deed de eerste paardentram zijn intrede in de stad: de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM) opende de eerste paardentramlijn, die de basis was van een uitgebreid netwerk. Twee jaar later werd de stoomtramlijn Rotterdam-Delfshaven geopend, in 1882 doorgetrokken naar Schiedam. Maar de (technische) ontwikkelingen stonden niet stil: in 1898 deed de elektrische tram op verschillende plaatsen in Nederland zijn intrede, gevoed door bovenleiding. Rotterdam kon niet achterblijven: in 1904 werd de Rotterdamsche Elektrische Tramweg Maatschappij (RETM) opgericht. Op 19 september 1905 reed de eerste elektrische tram door Rotterdam. Hetzelfde jaar kwamen er al vijf elektrische tramlijnen bij. In 1908 kwam het totaal op negen lijnen. Het maximum werd bereikt in 1930, toen de Rotterdamse tram 25 lijnen had. Na enkele jaren van onderhandelen droeg de RETM het trambedrijf in 1927 over aan de gemeente Rotterdam. De RETM werd een gemeentelijk vervoerbedrijf. Het kreeg de naam Rotterdamsche Electrische Tram (RET), de naam die het bedrijf nu nog draagt.
De RETM begon de dienst in 1905 met 20 tweeassige motorwagens die gebouwd waren door het Belgische Métallurgique. De rijtuigen hadden een lengte van 8540 mm en een gewicht van 10 ton. De wagens 1-10 telden door een opstelling met banken in de lengte 20 zit- en 16 staanplaatsen. De wagens 11-20 moesten het door een opstelling van dwarsbanken met 1 zitplaats minder doen. De 20 voertuigen werden in 1931 afgevoerd, met uitzondering van de 1 en 11, die de museumstatus verkregen.