Plattelands-stoomtram








De personentram van de Geldersche Stoomtramweg-Maatschappij is een voorbeeld van een karakteristiek ensemble van stoomlocomotief, personenrijtuig en goederenwagen. Daarmee zijn vooral begin 20e eeuw grote delen van Nederland ontsloten. We zien hier de bloeiperiode van de Nederlandse stoomtram.
De Gelderse Achterhoek was wat betreft het wegennet rond 1880 en de jaren daarna een echte ‘Achterhoek’. De streek was weinig welvarend. Inwoners en fabrikanten pleitten dan ook voor een goed vervoermiddel. De Geldersche Stoomtramweg-Maatschappij (GSTM, later GTW, Gelderse Tramwegen) opende in 1881een stoomtramlijn van Doetinchem naar Dieren. Die lijn werd steeds verder uitgebreid. Gaandeweg ontstonden ook andere stoomtrambedrijven in het oosten van Gelderland, zoals de Geldersch-Westfaalsche Stoomtramweg-Maatschappij en de Tramweg-Maatschappij Zutphen-Emmerik.
De meeste lijnen hadden een spoorwijdte van 750 millimeter; vrij smal, maar dat maakte de aanleg relatief goedkoop en gemakkelijk. Op die wijze werd een groot gebied ontsloten en kwamen verbindingen met steden als Arnhem, Zutphen en Deventer tot stand. Snel ging het niet: aanvankelijk was de maximumsnelheid bij de GSTM vastgesteld op 15 km/h, in 1902 verhoogd tot 20 km/h. Maar het ontstaan van dit tramnet heeft desondanks zeker bijgedragen aan de opbloei van dit deel van Nederland. De laatste reizigerstrams van de GTW reden op 15 mei 1949. Het overblijvende goederenvervoer werd in de jaren vijftig overgeheveld naar vrachtauto’s. De laatste overgebleven tramlijn na 1953 was de stamlijn Doetinchem – Doesburg.
Bij het 75-jarige bestaan van de lijn Doetinchem-Doesburg in 1956 werd dit tramstel als museumstoomtram ingezet, bestaande uit loc 13, rijtuig AB 48 en goederenwagen GZ 41. De allerlaatste personen- en goederentrams reden op 31 augustus 1957.