Historische context In de jaren 1930 ontstond in Gelderland uit de samenwerking van een aantal trambedrijven de "NV Geldersche Tramwegen", toen een van de grootste streekvervoerders van ons land. Ook de Betuwsche Stoomtramweg-Maatschappij (BSM) werd als Betuwsche Tramweg Maatschappij aan de GTW toegevoegd. De sterke opkomst van het autobusvervoer in die periode had ook gevolgen voor de tramwegbedrijven. Vooral in het streekvervoer ondervond de tram steeds meer concurrentie van de bus. Vele particulieren begonnen een busdienst en roomden daarmee het tramvervoer af. De trambedrijven werden gedwongen om zelf ook steeds meer over te gaan op autobussen. Zo ook de GTW, die in de jaren 1935-1940 een grote serie voor die tijd moderne frontstuurbussen (met de motor voorin, naast de chauffeur) aanschafte, ter vervanging van de stoom- en motortramdiensten. De chauffeur zat in een afgescheiden cabine. Een conductrice zorgde voor de kaartverkoop. De GTW was eind jaren twintig een van de eerste vervoerbedrijven, die conductrices in dienst stelde. De komst van deze ongetrouwde jonge vrouwen op de bus deed toen nogal wat stof opwaaien. Tot begin jaren zestig heeft de GTW conductrices in dienst gehad, dit tot grote tevredenheid van het reizende publiek. Het type In totaal werd het wagenpark van de GTW tussen 1935 en 1940 uitgebreid met maar liefst 85, in grote lijnen soortgelijke dieselbussen: de serie 94-178. Deze bussen waren alle gebouwd volgens hetzelfde principe, met de motor voorin en een afgescheiden chauffeurscabine. Hoewel er qua fabrikaat wel verschillen waren tussen diverse deelseries (chassis en motor werden geleverd door Krupp en door Kromhout en de carrosserieën werden gebouwd door zowel Verheul uit Waddinxveen als Werkspoor uit Zuilen/Utrecht) was er zeker voor het reizend publiek sprake van één kenmerkend type GTW-bus, dat tot ver na de Tweede Wereldoorlog beeldbepalend was voor het vervoer in grote delen van Gelderland. Het object De GTW 119 werd oorspronkelijk als nr. 502 voor de BTM gebouwd en kwam in 1936 in dienst, als onderdeel van de serie 501-502 (die al in 1937 werd vernummerd in 118-120). Net als andere GTW-bussen uit die tijd kreeg ook de 119 een naam en een afbeelding, te weten "Beer". Door het tekort aan vloeibare brandstof en andere oorlogsperikelen, werd de "Beer" in de oorlogsjaren niet gebruikt en stond hij opgeslagen in Doetinchem. Als plukbus leverde hij onderdelen om soortgenoten rijvaardig te houden. Dat was waarschijnlijk dan ook zijn redding en de reden dat de bus niet werd gevorderd door de Duitsers. Na de oorlog werd hij weer rijvaardig gemaakt en deed hij dienst tot augustus 1955. Wel was hij inmiddels twee maal vernummerd: in maart 1954 werd het de 656 en een jaar later de 646. Na afvoer werd de bus verkocht aan de firma Vergouwen in het Brabantse St. Willibrord, maar die verkocht hem al snel weer door aan Van Baaren. Daarna kwam de Krupp in 1956 terecht bij een aannemer. Het object als erfgoed In januari 1957 kocht de GTW de bus terug en met museale plannen in het achterhoofd werd de bus gestald in een loods van de GTW in Doetinchem. Daar leidde hij vele jaren een zeer teruggetrokken leven, totdat in 1980 (toen GTW al GSM was geworden) een groep voormalige GTW-medewerkers zich over hem ontfermden. In enkele jaren tijd werd de carrosserie van de bus geheel gerestaureerd en in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Men had deze restauratie zeer goed voorbereid en gedocumenteerd en zodoende werd bijvoorbeeld ook de PGEM-reclametekst uit de jaren dertig, met alles er op en er aan weer aangebracht. Na de voltooiing van de restauratie nam de "Beer" in 1982 afscheid van Gelderland en werd hij geschonken aan het Nederlands Spoorwegmuseum in Utrecht, dat in die tijd de pretentie had uit te groeien tot een openbaar vervoermuseum. Helaas kon men de Krupp geen optimale plek bieden, want jaren vertoefde hij, samen met enkele andere historische bussen onder een afdak, waar weer en wind verder vrij spel hadden. De zo fraai gerestaureerde bus ging zienderogen achteruit en toen de SVA de "Beer" in 1993 kocht van het Spoorwegmuseum, was hij helaas dan ook weer toe aan een nieuwe carrosseriebeurt. Die vond plaats bij het toenmalige CAB in Utrecht en hoewel het Prins Bernhardfonds een financiële bijdrage leverde, was het toch nodig om hier en daar te bezuinigen. Zodoende moest helaas ook worden besloten om de PGEM-reclame (waarvan het aanbrengen erg arbeidsintensief en dus duur zou worden) voorlopig achterwege te laten. "Voorlopig", want het is zeker de bedoeling deze ooit weer aan te brengen! Ook op technisch gebied moest helaas een concessie worden gedaan, toen de oorspronkelijke motor defect raakte en er -ondanks bijzonder intensieve speurtochten- nergens meer onderdelen verkrijgbaar bleken. Omdat de uitdrukkelijke wens bestond de bus in rijdende toestand te bewaren, werd besloten een modernere en daarmee ook meer gangbare in te bouwen. Ook deze is van het fabrikaat Krupp en werkt volgens het tweetaktprincipe. Daarmee blijft het kenmerkende geluid dat deze bussen vroeger maakten ook nu in stand.