Vroeg containervervoer








De uitdaging van de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij was om reizigers en goederen te vervoeren in een gebied met veel water en eilanden. De invoering van een vroege vorm van containervervoer was een middel om dat vervoer zo efficiënt mogelijk uit te voeren.
De Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM) exploiteerde vanaf 1900 het interlokaal tramvervoer tussen Rotterdam en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Ook opende zij veerdiensten tussen de eilanden. Zo verbond zij grote delen van Zuidwest-Nederland met de havenstad aan de Maas, die juist rond die tijd aan een onstuimige groei was begonnen. De RTM ontsloot een gebied vol met water en eilanden, wat vervoerstechnisch tot ingewikkelde situaties leidde. De RTM heeft daarmee zeker bijgedragen aan de bloeiende agrarische sector in dit deel van het land.
Net als voor andere stoomtrambedrijven was het goederenvervoer voor de RTM belangrijk. Zij vervoerde allerhande producten; landbouwproducten naar de stad en, andersom, middelen voor het levensonderhoud, bouw- en brandstoffen naar de bewoningskernen op het platteland.
Voor het goederenvervoer kocht de RTM sleepboten en sleepschepen (boten zonder motor) met een stuk spoor in het midden. Hierop werden complete goederenwagens overgezet. Daarnaast vervoerde zij ook standaard laadbakken per boot en tram: een vroege vorm van containervervoer.