
Streekbus
De NZH, voortgekomen uit diverse andere (tram)bedrijven had in de loop der jaren een uitgestrekt net van elektrische tramlijnen opgebouwd. Met smalspoorlijnen van Amsterdam naar Haarlem en Zandvoort en van Amsterdam-Noord naar Volendam en Purmerend en met een normaalspoornet van Haarlem naar Leiden en van Leiden naar Katwijk en Noordwijk aan Zee en Den Haag en Scheveningen. Dit alles aangevuld met stadslijnen in en rond Haarlem en Leiden. De vanwege de kleur van het materieel "Blauwe tram" genoemde NZH genoot als trambedrijf een grote bekendheid. Zoals bij zoveel bedrijven moest ook bij de NZH de tram van lieverlee het veld ruimen voor de autobus. Hoewel de NZH zelf al sinds 1931 buslijnen exploiteerde, waren het de jaren vijftig en zestig waarin de tram definitief werd vervangen door de bus. In die jaren werden dan ook grote series bussen aangeschaft. Als dochterbedrijf van de Nederlandse Spoorwegen kocht de NZH veel autobussen die ook bij de andere NS-dochters werden gesignaleerd. Hiertoe behoorde ook de zogenaamde "bolramer'", een autobus die eind jaren vijftig, begin jaren zestig in toenemende mate beeldbepalend werd in het Nederlandse straatbeeld. De bolramer dankt z'n bijnaam aan de parabolische voorruit (zie ook het veld "vorm"). Deze vooruit verhoogde in hoge mate het zicht voor de chauffeur in het donker, waarmee het bedieningsgemak voor de chauffeur sterk verbeterd werd. Als eerste werd door Werkspoor een serie van 85 lichtere bolramers gebouwd (de serie 4100), bestemd voor de vervanging in 1957 van de NZH-tramlijn Amsterdam-Haarlem-Zandvoort door een busdienst. De ervaring met deze bussen leidden tot de bouw van vele honderden bolramers, uitgerust met een zwaardere motor dan de serie 4100. Aanvankelijk gebouwd door Werkspoor maar later ook door andere carrosseriebouwers, zoals Hainje, Den oudsten en Van Hool. In totaal zijn naar schatting meer dan 1000 bussen in de periode 1953-1967 uitgerust met de kenmerkende bolle voorruit. Na de 4100-en in 1957, kwamen in de jaren 1959-1962 grote aantallen bolramers (series 4700/4800/4900/5000) in dienst bij de NZH; voor een groot deel bedoeld ter vervanging van de resterende NZH-tramlijnen. Voor aflevering in 1962 waren door de NZH de nummers 4988-5026 besteld, maar kennelijk was dit wat ruim bemeten en waren bij andere NS-dochters de bussen harder nodig. Zo kwamen de 5022-5026 nooit in dienst bij de NZH, maar werden meteen doorgeschoven naar de Zuidooster in Gennep. Ook de 5018 ging die kant op (na slechts een week bij de NZH te zijn geweest!). Verder werden de 5019-5021 in 1962 voor een aantal maanden verhuurd aan de VAD in Ermelo. Bij de Zuidooster deed autobus 5023 nog tot 1977 dienst. In dat jaar werd hij verkocht aan een particulier in Oss, waarna hij in 1987 terecht kwam bij de Stichting Jeugdbelangen in Zeeland (Noord-Brabant). Daar deed hij voornamelijk dienst als keukenwagen en onderkomen. Nadat het bestaan van deze voormalige bus was "ontdekt", werd de 5023 in december 2008 overgedragen aan het NZH Vervoer Museum. De reden dat hij toch een zekere historische binding had met de NZH, woog daarbij zwaarder dan het feit dat het interieur ontbrak en dat er heel veel werk aan eventuele restauratie zou moeten worden besteed. Voorlopig wordt de bus in zijn huidige staat tentoongesteld in het museum, in afwachting van toekomstige (restauratie)plannen.












