
Stadsbus
Culturele biografie ►Historische context In de zestiger jaren van de vorige eeuw ontstond bij de vervoerbedrijven van de drie grote steden het idee dat het voordelen zou hebben een gezamenlijke standaardbus te ontwerpen: goedkoper in bouw, kortere levertijd, efficiëntere magazijnvoorraden en de mogelijkheid tot uitwisseling. Een lagere prijs en een kortere levertijd waren ook voor het ministerie van Verkeer en Waterstaat interessante punten. Uitwisseling en uitlening hebben overigens weinig plaatsgevonden. In 1963 leidde dat tot de instelling van de Commissie Standaardisering Autobusmaterieel (CSA). In 1964 was het bestek gereed en volgde de inschrijving voor de aanbesteding. Daaruit kwamen DAF (chassis) en Werkspoor (carrosserie) als beste naar voren. Het Heerenveense bedrijf Hainje behoorde inmiddels tot het VMF concern (Verenigde Machinefabrieken, waartoe ook Werkspoor behoorde) en bouwde de meeste carrosserieën. Op 28 juni 1966 werd het eerste exemplaar geleverd, de Amsterdamse 301. Deze bus bestaat nog. Het ontwerp was zeer succesvol. Omdat de ontwikkelingen natuurlijk niet stil stonden zijn 8 versies van de, wat later de CSA-1 bus werd genoemd, te onderscheiden. Zij bleven tot 1983 in productie en er werden 1687 exemplaren op DAF-chassis geleverd. Daarna volgde een wat grotere verandering die met CSA-2 aangeduid wordt. De meest opvallende verandering van de CSA-2 was de gebogen voorruit en de gedeeltelijk in tomaatrood met beige uitgevoerde zijkanten. Deze versie bleef tot 1988 in productie en dat was meteen het einde van de standaardisatie. Utrecht voegde zich in 1965 bij het CSA-gezelschap en later gingen ook standaardbussen naar andere steden. ►Type Het object is een stadsbus van het type DAF SB201 met de motor achterin, een dubbele instapdeur voorin, een dubbele uitstapdeur in het midden en een enkele uitstapdeur achterin. Toen het object werd geleverd was het al 10 jaar in productie en het zou nog zes jaar in productie blijven. Een zeer uitzonderlijk fenomeen! ►Object De HTM 319 werd in 1977 gebouwd, zoals het meest voorkomend op een chassis van DAF en met een carrosserie van Hainje. ►Object als erfgoed Het object werd in 1990, na 13 dienstjaren, voor museumdoeleinden gereserveerd en in 1991 door de HTM aan het HBM geschonken. Een restauratie bracht de bus vervolgens weer in de oorsprongstoestand. Representatiewaarde ►Schakelwaarde De Amsterdamse 301 kent als eerste CSA-bus een duidelijke schakelwaarde, later gebouwde exemplaren niet meer, dus ook de HTM 319 niet. ►IJkwaarde Als een vertegenwoordiger van de grootste serie ooit in Nederland gebouwde bussen, waarvan er diverse bewaard zijn gebleven, kent de HTM 319 geen ijkwaarde. ►Symboolwaarde De HTM 319 staat niet symbool voor een bepaalde gebeurtenis en is ook niet verbonden aan een bepaalde persoon, hij heeft geen symboolwaarde. Zeldzaamheid Er zijn meerdere CSA-bussen bewaard gebleven, in diverse steden en alleen al in Den Haag vier stuks. De HTM 319 is dus niet zeldzaam. Staat van het object Het object is volledig rijvaardig en presentabel (stand 2016). Ensemblewaarde De collectie van het HBM van achtereenvolgende Haagse stadsbussen vormt een doorlopend overzicht over het Haagse na-oorlogse stadsvervoer voor zo ver het bussen betreft. De HTM 319 maakt hier deel van uit en heeft dus ensemblewaarde. Presentatiepotentieel Het presentatiepotentieel is nog niet groot omdat de bus voor een bus wel oud is, maar nog sterk in het geheugen gegrift staat omdat zeer veel mensen zich de wijnrode stadsbussen nog goed zullen herinneren. Maar het presentatiepotentieel zal in de loop van de jaren zeker toenemen. De standaard-stadsbussen zagen er duidelijk anders uit dan de meeste oudere bussen en ook anders dan latere bussen. De CSA-bus is gedurende vele jaren beeldbepalend geweest in alle grote, en veel wat kleinere, steden. Cultuurhistorische waarde De HTM 319 neemt geen bijzondere positie in, in de zeer grote serie standaard stadsbussen die tussen 1967 en 1988 is gebouwd. Dit leidt tot de waardering C.










.jpg&w=1920&q=75)

