Go to Main content
Home
Logo - Stichting Mobiele Collectie Nederland
Zoeken
Streekbus

Streekbus

Culturele biografie Historische context Autobussen zijn ontstaan door automobielen in te richten voor het vervoer van meer dan enkele personen. In eerste aanleg gebeurde dit door vergroting en versterking van al bestaande motorvoertuigontwerpen of door aanpassing van de laadruimte van eerder ontworpen vrachtauto's. Daarbij was gebruikelijk een uitgebouwde motorruimte aan de voorzijde (vgl. het paard), daarachter een aparte chauffeursbank (vgl. koetsiersplaats) en vervolgens de (afgescheiden) laadruimte. Deze laatste werd bij de (kleinere) personenauto's vrijwel direct, bij de grotere voertuigen voor personenvervoer gaandeweg geïntegreerd met de chauffeurscabine. In alle gevallen was sprake van een "torpedofront" met "normaalstuur". Voor de bouw van autobussen gebruikte men meestal vrachtautochassis, soms wat aangepast, omdat die in veel grotere aantallen gefabriceerd werden en derhalve goedkoper waren. Wat later kwamen alternatieven met frontbesturing (bestuurder naast motor en boven vooras) die een langere laadruimte opleverden en daardoor efficiënter bleken. Deze ontwikkeling heeft zich, vanaf medio dertiger jaren, toen speciaal voor grotere autobussen bestemde chassis werden ontworpen, doorgezet. ► Type De overgang naar frontbesturing heeft echter ook nadelen: meer (motor-)geluid en -trillingen (vooral door de opkomst van de dieselmotor), meer kans op luchtjes in het interieur, moeilijker instappen en vooral zwaarder sturen door de hogere voorasbelasting. Genoemde nadelen manifesteerden zich het meest bij autobussen die als touringcar werden gebruikt. Zodoende werden "neusbussen", vooral voor kleinere wagens, zoals de ETAO 2 nog veelvuldig en over het algemeen tot tegen het eind van de vijftiger jaren, toegepast. De nadelen konden toen goeddeels overwonnen worden. Zelfs de vrachtautosector ging toen over. ► Object De ETAO 2 is door de Hilversumse Carrosseriefabriek Van Leersum gebouwd op een populair "multi-purpose"-vrachtautochassis van het bekende Franse merk Citroën. In 1919 ontstaan als wagenmaker, heeft Van Leersum zich omgevormd tot ontwerper en maker van zeer modern uitziende en luxe koetswerken en ook van autobussen op onderstellen van voornamelijk Franse en Amerikaanse makelij. Het bedrijf is in 1952 vanwege te veel concurrentie van de grote bouwers met nieuwbouw gestopt. Het object weerspiegelt een fase in de ontwikkeling van middelen voor collectief personenvervoer tussen de zgn. crisisjaren en de tweede wereldoorlog. Uitgangspunt was om met gebruikmaking van simpele en relatief goedkope middelen toch een aantrekkelijk vormgegeven en universeel inzetbare autobus te verkrijgen. ► Object als erfgoed De periode na het werkzaam bestaan van de ETAO 2 is treffend geduid in de beschrijving. Tegelijkertijd blijkt daaruit hoe jammer het is dat een noodzakelijke en ingrijpende restauratie nog niet van de grond kon komen. Dit bijzondere object verdient dat het in goede staat een verdere toekomst als erfgoed in kan. RepresentatiewaardeSchakelwaarde Niet van toepassing

Kerninformatie

Sector
wegvoertuigen
Type
Autobussen Benzinebus
Functie of soort gebruik
Personenvervoer (streekvervoer en groeps- en toervervoer)
Techniek voortbeweging
Motor: aanvankelijk een 4-cylinder dieselmotor (40 pk), later vervangen door een benzinemotor (42 pk) Versnellingsbak: handgeschakeld (vier versnellingen) Remsysteem: mechanisch Capaciteit: 16 zitplaatsen
Periode gebruik
1938 - 1955

Bouwjaar
1938
Fabrikant/Producent/Werf
Chassis: Citroen (Frankrijk) Carrosserie: van Leersum (Hilversum)
Merk & Model
Klassieke kleine normaalstuurbus ("neusbus") met een voor die tijd vooruitstrevende opbouw, voorzien van ronde vormen. Zitplaatsen op twee rijen dubbele banken. Kleuren: geel met rode accenten (baan onder de ramen, vlakken op de zijkanten, rond de achterwielen, boven de voorruit en op de achterzijde). Gemeentenaam en -wapen van Tiel in goud op de zijkanten.
Bron
NRME

Aanvullende informatie

De opkomst van de stoomtram in de laatste decennia van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw was een belangrijke stap in de ontsluiting en ontwikkeling van het platteland. Toch kwam de tram logischerwijs niet overal, want alleen op trajecten waar een redelijk vervoer viel te verwachten, was de kostbare aanleg van een trambaan gerechtvaardigd. Pas na de opkomst van de autobus in de jaren na de Eerste Wereldoorlog ontstonden in alle gebieden vormen van openbaar vervoer. Veelal was het een lokale ondernemer, die met één busje (vaak een T-Ford) één dag in de week, op marktdag, een dienst onderhield naar "de stad". In veel gevallen groeiden deze marktdiensten uit tot meer reguliere verbindingen tussen de dorpen en steden in een bepaald gebied. Het platteland werd daarmee definitief ontsloten en de stoomtram kreeg er een geduchte concurrent bij. Een goed voorbeeld van een "plattelandsbusje" is deze Citroën uit 1938. Vergeleken met andere bussen uit die tijd, zoals bijvoorbeeld de Krupp van de GTW uit 1936 (die bestemd was voor de inzet op drukke lijnen), is deze bus relatief klein en licht. Dat laatste ook omdat de carrosserie niet van staal is gemaakt, maar van aluminium. Dit koetswerk, met zitplaatsen voor slechts 16 personen werd gebouwd door de in Hilversum gevestigde firma Van Leersum & Co., die destijds bekend was om zijn aparte, maar fraai gelijnde carrosserieën, soms zelfs met enige vorm van "stroomlijn". Ook de opbouw van de Citroën vertoont al wel bepaalde stroomlijntrekjes. De bus werd gebouwd in opdracht van M. Verhoeks, de eigenaar van de ETAO, de Eerste Tielsche Autobus- en Touringcar Onderneming. Vanuit de vestigingsplaats Tiel verzorgde dit bedrijf het busvervoer in het westen en midden van de Betuwe, met lijnen naar onder andere Culemborg, Geldermalsen en Rhenen. In 1966 ging de ETAO op in de in Tiel gevestigde Betuwse Streekvervoer Maatschappij (BSM). Deze BSM was overigens geen voorzetting van de ook met BSM afgekorte Betuwsche Stoomtramweg Maatschappij (die in 1932 was opgegaan in de GTW). De nieuwe BSM was het product van een fusie van drie kleinere bedrijven. Naast de ETAO waren dat de Velox uit Andelst en het bedrijf J.H. van Ballegooijen uit Haaften. De Velox was al jarenlang een dochteronderneming van de spoorwegen en de twee andere partners waren dat kort voor de fusie ook geworden. Qua bedrijfsvoering en directie was de BSM nauw gelieerd aan de NBM te Zeist. Een lang leven was het bedrijf overigens niet beschoren, want bij een volgende reorganisatie binnen het streekvervoer in 1971, kwamen de busdiensten in de Betuwe in handen van de Zuidooster in Gennep. De ETAO-Citroën was toen uiteraard al lang niet meer in bedrijf; zijn actieve loopbaan als bus eindigde zo rond 1955. Het was toen inmiddels en benzinebus geworden, want in een eerder stadium (niet bekend is wanneer dat precies is gebeurd) was de oorspronkelijke dieselmotor vervangen door een benzinemotor, van het zelfde type als de bekende Citroën "Traction Avant". Gelukkig bleef de bus ook na zijn actieve diensttijd bewaard. Eerst bij de ETAO en daarna als privé-eigendom van de heer Verhoeks. Laatstgenoemde gaf hem in 1969 voor onbepaalde tijd in bruikleen aan de Stichting Veteraan Autobussen. Het was daarmee een van de eerste bussen in de collectie. Bij de SVA is de Citroën op veel plaatsen gestald geweest en ook is er ooit een aanvang gemaakt met de restauratie. Helaas strandde deze poging op het moment dat de wagen voor een groot deel uit elkaar was gehaald. Ook een latere poging om de restauratie op gang te krijgen liep helaas op niets uit. Het zal dan ook nog heel wat tijd, moeite en geld kosten om ook dit busje, met zijn fraai gevormde geel/rode carrosserie, weer in oude luister te herstellen.

Materiaal

Stalen chassis met aparte carrosserie, bestaande uit een framewerk met aluminium beplating


Ontwerper(s)

Chassis: Citroen Carrosserie: van Leersum

Ontdek een willekeurig voertuig uit de collectie

Streekbus - Mobiele Collectie Nederland