
Stadsbus
Culturele biografie ► Historische context Direct na de tweede wereldoorlog werd de eerste openbaar-vervoernood gelenigd met tot autobus omgebouwde Amerikaanse, Canadese en Engelse legerwagens, zoals de 'bellewagens', of als noodbus opgebouwde legerchassis. Vanaf eind 1945 konden bovendien een aantal complete autobussen geïmporteerd worden uit Amerika (veelal standaard zgn. schoolbussen). Een kleine serie complete bussen (40 ex.) kwam uit Frankrijk (Chausson). De toewijzing van beschikbaar komende bussen en chassis aan de ondernemers geschiedde gedurende enkele jaren van overheidswege. In 1947 begon de levering van 925 autobuschassis (waarvan 150 in Engeland naar Nederlands ontwerp gecarrosseerd) en 250 trekkers (voor DAF-oplegger-bussen) door het Engelse merk Crossley. Deze voor de interlokale autobusdiensten bestemde voertuigen waren nog in 1945 besteld. Ten behoeve van de lokale diensten werden door de overheid via de Nederlandse Fordfabriek 500 "trambuschassis" betrokken bij Ford-USA. De Nederlandse carrosserieën werden gebouwd door verschillende carrossiers die, verband houdend met de grote vraag en hun nog beperkte productiecapaciteit, ook uitbesteedden aan van origine vliegtuigbouwers en scheepswerven. ► Type Deze Fords hadden een trambuschassis, d.w.z. met een zodanig teruggeplaatste vooras dat het mogelijk was een instapdeur vóór de vooras te situeren. Daardoor ontstond enige gelijkenis met het model van een stadstram die ook aan beide zijden een overbouw had. Achterop het chassis bevond zich een dwarsgeplaatste, rechtopstaande V8-benzinemotor. Deze plaatsing voorkwam dat de doorgang voor (met bagage) instappende reizigers niet vernauwd werd door de aanwezigheid van een motorkap. De Ford-trambussen werden vanaf 1947 tot begin zestiger jaren ingezet op stadsdiensten in vele kleinere en middelgrote steden. Door de relatief geringe afmetingen en daardoor wat beperkte vervoerscapaciteit met ca. 27 à; 30 zitplaatsen waren ze zeer handzaam, doch minder geschikt voor zware vervoersstromen. ► Object De BBA 353 heeft een door Carrosseriefabriek Jongerius te Utrecht ontworpen en gebouwde carrosserie, die zich, evenals de door Carrosseriefabriek Hoogeveen gebouwde exemplaren (en in tegenstelling tot de veel meer voorkomende uitvoering van Verheul of Fokker), kenmerkt door een wat afgeronde vormgeving, vooral aan de voorzijde. De Ford trambussen hadden bijzondere eigenschappen (als onder Type vermeld) en waren beeldbepalend voor veel stadsdiensten in Nederland gedurende de opbouwperiode na de tweede wereldoorlog. ► Object als erfgoed Van elke serie sinds de tweede wereldoorlog door de BBA (= Brabantsche Buurtspoorwegen en Autodiensten) gebruikte stadsbussen voor de stadsdiensten in o.m. Breda, Tilburg, 's-Hertogenbosch, en Helmond is een exemplaar bewaard gebleven. De BBA 353 maakt, als enige van dit type, van deze reeks deel uit. Het is de enige bewaard gebleven bus met een carrosserie van Jongerius. Representatiewaarde ► Schakelwaarde












