
Streekbus
Historische context De geschiedenis van deze bus is nauw verbonden met de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. Met het einde daarvan in zicht, zagen de Nederlandse Spoorwegen (NS) zich voor een grote opgave gesteld bij het weer op gang brengen van het openbaar vervoer. Niet alleen per spoor, maar ook over de weg. Een groot deel van het busvervoer was inmiddels namelijk in handen van bedrijven die geheel of gedeeltelijk eigendom waren van de NS. Tijdens de oorlog waren deze "NS-dochters" alleen maar gegroeid, omdat veel particuliere ondernemers in die moeilijke tijd het hoofd niet boven water konden houden en hun bedrijf hadden verkocht. Dit mede onder druk van de overheid, die sterk had aangedrongen op de vorming van grotere streekvervoerbedrijven. Treinverkeer was aan het einde van de oorlog vrijwel onmogelijk, door het gebrek aan materieel en door vernielingen aan spoorbruggen en andere infrastructuur. Ook het busvervoer was nagenoeg volledig tot stilstand gekomen. Gedurende de oorlog was een groot deel van het Nederlandse busbestand op al dan niet vrijwillige basis overgegaan in Duitse handen en vertrokken naar het oosten. Het nog wel aanwezige materieel was grotendeels onbruikbaar. Niet alleen door het ontbreken van onderdelen, maar ook omdat het door intensief gebruik in de oorlogsjaren geheel was "afgeleefd". Als eerste actie na de bevrijding werden uiteraard de nog aanwezige bussen zo goed mogelijk opgelapt en weer in gebruik genomen. Daarnaast vonden grote aantallen militaire voertuigen hun weg naar de busbedrijven. Deze Amerikaanse, Engelse en Canadese vrachtwagens, van allerlei verschillende merken, werden voorzien van enkele simpele aanpassingen en vervolgens als "noodbus" in dienst gesteld. Ook een serie geïmporteerde Amerikaanse Ford-schoolbussen hielp mee de eerste nood te lenigen en zelfs werden gedurende enige tijd twintig Engelse Leyland dubbeldekkers (naast twintig enkeldekkers) ingezet, met name voor het mijnwerkersvervoer in Limburg. De belangrijkste maatregel was echter de aanschaf van nieuw busmaterieel. Daarvoor was een delegatie van de NS in november 1945 afgereisd naar Engeland. Met diverse fabrikanten werden gesprekken gevoerd en allemaal toonden ze interesse, maar uiteindelijk bleek er maar één bedrijf te zijn dat voldoende capaciteit had om op korte termijn een grote hoeveelheid bussen te leveren en dat ook bereid was om die bussen te bouwen volgens de specifieke eisen van NS. Dat bedrijf was Crossley Motors Ltd. uit Manchester. Deze fabrikant had een goede reputatie en al snel kwam men tot zaken. Zo ontving Crossley zijn "droomorder" voor de levering van in totaal 1.175 buschassis. Daarvan zouden er 150 door Crossley ook van een carrosserie worden voorzien, terwijl de rest door Nederlandse fabrikanten zou worden opgebouwd. Samen met de te leveren onderdelen was de waarde van deze order 3 miljoen pond. Omgerekend naar koopkrachtprijspeil 2006 zou dat ongeveer 135 miljoen euro zijn. Omdat Crossley wegens materiaalschaarste niet zo snel complete bussen kon leveren en de NS voor de dringend gewenste "treinvervangende diensten" juist op zeer korte termijn behoefte had aan voertuigen met een grote vervoerscapaciteit, werd een ingenieus plan bedacht. Het eerste deel van de levering zou niet bestaan uit bussen, maar uit (normaalstuur)trekkers. Gebaseerd op een ingekort DD42/1-buschassis, voorzien van een 107 pk sterke motor (type HOE7) leverde Crossley tussen augustus 1946 en maart 1947 op deze wijze 250 voertuigen, met de typeaanduiding PT42/1 (PT = Passenger Tractor). Ze werden verscheept naar Rotterdam en vervolgens bij DAF in Eindhoven voorzien van een koppelschotel. Daarna werden ze in dienst gesteld met een opleggerbus. Deze opleggers waren gebaseerd op een DAF-chassis type AA7 en werden naar een ontwerp van Verheul door Werkspoor, Aviolanda, Fokker of Verheul zelf van een opbouw voorzien (voor 52 zittende en ca. 28 staande passagiers). DAF produceerde 15 opleggerchassis per week en in totaal werden er 240 stuks voor de NS gebouwd. Deze werden genummerd OB1-240 (OB = oplegger bus), terwijl de trekkers bij de NS bekend waren als de TCR1-250 (TCR = Tractor Crossley). Verspreid over het land bewezen deze 14 meter lange en ruim 9 ton zware TCR + OB-combinaties al spoedig hun diensten voor het treinvervangend vervoer. Het type Begin 1947 begon de levering van het tweede deel van de order. Hierbij ging het om 500 buschassis van het type SD42/1, de zogenaamde "Lange Crossleys" (lengte 10,8 meter), die bij Crossley bekend waren onder de naam Long Dutch. Om meer vermogen te kunnen leveren waren voor deze chassis de HOE7-motoren iets aangepast en voorzien van een dubbele, via v-snaren vanaf de krukaspoelie aangedreven blower van het merk Marshall Roots. Deze nu als type HOE9 aangeduide (turbo) motoren leverden op die manier een vermogen van 140 tot 150 pk. Om het verbruik te beperken was de brandstofpomp echter zo afgesteld dat maximaal 135 pk werd geleverd. Overigens werden de blowers later om verschillende redenen verwijderd, onder andere omdat ze een oorverdovend lawaai in de cabine maakten. Naar ontwerpen van Verheul en Werkspoor werden de carrosserieën voor de lange Crossleys uiteindelijk door zes verschillende bedrijven gebouwd: - 128 stuks door De Schelde in Dordrecht (ontwerp/opdracht van Verheul); - 195 stuks door Werkspoor in Zuilen; - 48 stuks door Beijnes in Haarlem (ontwerp/opdracht van Werkspoor); - 47 stuks door Smit in Appingedam (ontwerp/opdracht van Werkspoor); - 66 stuks door Allan in Rotterdam (ontwerp/opdracht van Werkspoor); - 16 stuks door Verheul in Waddinxveen. Tussen mei 1947 en december 1948 kwamen de SD42/1's in dienst bij de diverse NS-busdochters, maar inmiddels was vanaf medio 1947 ook de levering op gang gekomen van de 425 resterende bussen, die bekend zouden worden als de "Korte Crossleys" (oftewel Short Dutch). Ze hadden de typeaanduiding SD42/2 en waren met hun 10 meter dus 80 cm korter dan de lange Crossleys. De motor was van het type HOE7, dus zonder blower en de carrosserie bood plaats aan 42 zittende passagiers. 150 stuks werden naar Nederlands ontwerp opgebouwd door Crossley. Deze "Engelse Crossleys" kwamen in dienst bij de NZH en bij de NBM en waren zeer geliefd. De carrosserie zag er wat eleganter uit dan de in Nederlands gebouwde exemplaren en het interieur was ook wat fraaier en degelijker uitgevoerd. Voor de opbouw van de overige 275 korte Crossleys tekenden maar liefst zes fabrikanten: Lamboo uit Zoetermeer (13 stuks), Jongerius uit Utrecht (2), Hoogeveen uit Hoogeveen (10), Verheul uit Waddinxveen (2), Aviolanda uit Papendrecht (200) en De Schelde uit Dordrecht (48). De laatste SD42/2 werd in januari 1950 afgeleverd. Al in 1948 was duidelijk geworden dat de wederopbouw van het spoorwegnet sneller ging dan men had gedacht en mede omdat er door de NS naast de Crossleys inmiddels ook 100 Ford trambussen, 280 Scania-Vabis bussen en 80 DAFs waren aangeschaft, was er nu sprake van een overschot aan bussen. Een deel van de nieuw afgeleverde Crossleys ging dan ook meteen in opslag en kwam pas na een aantal jaren in dienst. Het teveel aan bussen was voor de overheid reden om de NS onder druk te zetten om een deel van dit overtollige materieel te verkopen aan particuliere busbedrijven. Vanuit concurrentie-overwegingen was de NS daar altijd tegenstander van geweest, maar nu werd toch een (zij het beperkt) aantal Crossleys verkocht. Dit waren voornamelijk wagens uit de weinig populaire serie met een carrosserie van De Schelde. Daarnaast is het teveel aan autobussen voor de NS aanleiding geweest om bij een aantal dochterondernemingen versneld aan te dringen op de vervanging van de streektram door de autobus. Concreet kunnen worden genoemd: -












