
Streekbus
Culturele biografie ► Historische context De Rotterdamsche Tramweg Maatschappij ('de eilandentram') was het bedrijf dat vanouds het vervoer verzorgde tussen Rotterdam en de Zuid-Hollandse eilanden benevens het tot Zeeland behorende Schouwen-Duiveland en een klein stukje aangrenzend Noord-Brabant. De veren tussen de eilanden fungeerden als bundelpunten voor het vervoer en dat deden ook de twee grote bruggen in het gebied: de Spijkenisserbrug en de Barendrechtse brug. Het is de sterke bundeling van het vervoer die ongetwijfeld de toenmalige directeur, de heer dr. H.J. van Zuylen, in zijn proefschrift tot de conclusie deed komen dat tramverbindingen hier op hun plaats waren. De stormramp van 1953 bracht echter verandering in dit beeld, zowel direct als indirect. Veel tramtrajecten raakten beschadigd en/of kwamen onder water te staan. De lijn die Schouwen-Duiveland bediende was dermate beschadigd dat meteen van herstel werd afgezien. De lijn op Goeree werd nog wel hersteld, maar werd in 1956 gesloten. Bussen namen het werk over. De indirecte invloed van de stormramp was veel groter. Er werden dammen aangelegd tussen de eilanden en de vervoersstromen gingen zich verleggen, daarmee verloor de tram zijn aanvoer en dus zijn betekenis. In februari 1966 reed de laatste tram, tussen Spijkenisse en Hellevoetsluis. Daarmee was het doek over het verschijnsel 'plattelandstram' in Nederland definitief gevallen. De Hoekse Waard was door de tramlijn van Numansdorp Haven met zijn zijlijnen met Rotterdam verbonden, maar het oostelijk deel was meer op het veel nabijere Dordrecht gericht. Gedurende vele jaren onderhield het Dordtse vervoerbedrijf verbindingen met de Hoekse Waard via het veer bij 's Gravendeel. In 1969 ging dit vervoer over naar de RTM. Rijkdom aan water is karakteristiek voor Nederland. Het levert voor de wegverbindingen soms grote problemen op, met name bij de grote rivieren, de kop van Overijssel en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Kleine bruggen kon men al lang bouwen, maar de grote stromen leverden grote hindernissen op. Veerponten moesten dan het probleem oplossen. Soms liepen er buslijnen over zo'n verbinding. Dat vroeg vaak speciale aanpassingen aan de betreffende bussen: wielbasis, voor- en achteroverbouw mochten niet te groot zijn omdat anders het gevaar bestond dat de bus de grond zou raken. De situatie bij de RTM was niet uniek, ze kwam op meerdere plaatsen in Nederland voor en is karakteristiek voor een waterrijk land. In 1977 gingen alle bedrijven in het zuid-westen van Nederland samen in 'Zuid-West Nederland' ► Type Als uitgangspunt voor de speciale bussen werd het DAF B1600 chassis gekozen, met de (bij DAF optionele) wielbasis van 5,55 meter. De motor stond voorin, naast de chauffeur. Het B 1600 chassis liet geen instap vóór de vooras toe, derhalve moest de instap achter de vooras worden geplaatst; er was geen aparte uitstapdeur. De carrosserie is overeenkomstig het toenmalige standaard-streekbusmodel, zij het dat de bus een kort 'neusje' bezat voor de iets naar voren stekende motor en radiateur. ► Object In de jaren 1968-1970 bestelde de RTM 8 wagens die speciaal voor ponten geschikt waren, zij kregen de nrs. 81 - 88 en zij waren voorzien van vlindernamen. Zij deden dienst tot 1980/1981, behalve de 81 die door een ongeluk om het leven was gekomen. De overige zeven kregen na de buitendienststelling allemaal een nieuwe bestemming. Het is helaas onduidelijk hoeveel van deze bussen nog bestaan en welke van de bewaard gebleven bussen de beste representant is. ► Object als erfgoed Het is een goede zaak dat er bussen bewaard zijn gebleven waarvan het ontwerp was aangepast aan de eisen die het gebruik van veerponten stelt. De RTM 87 ging eerst naar Oostburg en later naar Hemelum (Friesland). Vervolgens ging de bus over naar de SVA-werkgroep Rotterdam, die inmiddels met een omvangrijke restauratie bezig is. Representatiewaarde ► Schakelwaarde De bus zelf heeft geen speciale schakelwaarde, hij is een doelgericht ontwerp en geen schakel in de busontwikkeling. Wel heeft het type verbinding een vervoerskundige schakelwaarde. Van 'bus of tram brengt de reizigers naar de pont' via 'de bus gaat met de pont mee' naar 'de bus rijdt via een vaste oeververbinding naar de andere kant'. ► IJkwaarde Het object heeft geen bijzondere ijkwaarde. ► Symboolwaarde Het object symboliseert de problemen die de Nederlandse samenleving in het algemeen, en de busbedrijven in het bijzonder, hadden met het oversteken van de vele waterlopen die het land doorsnijden. Zeldzaamheid De resterende zeven bussen zijn na hun buitendienststelling geen van alle gesloopt. Hoeveel er inmiddels nog van resten is onbekend. In ieder geval bestaat ook de 88 nog. Staat van het object Het object is in restauratie en is daardoor niet rijvaardig, noch presentabel (stand 2011). Ensemblewaarde Niet van toepassing. Presentatiepotentieel Het object bezit een beperkt, maar wel bijzonder presentatiepotentieel: het gebruik van veerponten door bussen en de problemen die daar bij optreden. Cultuurhistorische waarde Het object is aangepast aan de eisen die het gebruik van een veerpont stelde. Dit heeft zich vaker in Nederland voorgedaan. Daarmee heeft de bus zelf een zekere cultuur-historische waarde (als voertuig) en hij heeft een cultuur-historische waarde als representant van de busverbindingen die over veerponten werden geleid. Ondanks de geringe omvang van het verschijnsel wordt toch een wat hogere waardering toegekend omdat het zo karakteristiek is voor landschappen met brede waterwegen.




.jpg&w=1920&q=75)







