Go to Main content
Home
Logo - Stichting Mobiele Collectie Nederland
Zoeken
Streekbus

Streekbus

Culturele biografieHistorische context EMA-Openbaar Vervoer B.V. is, na diverse naamsveranderingen, overnames en opsplitsingen ontstaan uit de 'Valkenswaardsche Auto Omnibus Onderneming', waarmee de heer H.J. Jonkers in 1921 op het traject Valkenswaard - Luyksgestel een autobusdienst begon. Het bedrijf verwierf uiteindelijk een gebiedsvergunning voor de uitvoering van autobusdiensten in de Brabantse Kempen, met uitlopers tot in België. De afgesplitste onderdelen hielden zich voornamelijk bezig met autodealerschappen en besloten busvervoer. Per 1 januari 1987 werden de lijndienstactiviteiten door de BBA overgenomen. Als één van de laatste streekvervoerders schafte de EMA ook standaard-streekbussen aan. Verheul had een nieuwe generatie zelfdragende streekbussen ontworpen, waarvan de serieproductie in 1967 begon. In de beginperiode werd uitsluitend gebruik gemaakt van Leyland-componenten, die onder een licht Verheul-frame waren gemonteerd. De typeaanduiding was LVB-668 (=Leyland-Verheul-Bus met een wielbasis van 6.00 m en een 0-680-motor). Kort erna kreeg ook Den Oudsten opdracht vrijwel dezelfde autobussen, eveneens met Leyland-componenten, te leveren. Dit werd het type LOB. Omdat sprake was van een modulaire opbouw, ontstonden gemakkelijk varianten als stadsbussen (typen LVS en LOS) en wagens met een lengte van ca. 10 m (type LOK). Daarnaast werden ook bussen - meestal met gedeeltelijk verhoogd dak en aan weerszijden een schuine raamstijl - als semi-toer-of full-toerwagens uitgerust. Het concept was, ofschoon door de Vereniging van Streekvervoerondernemingen (ESO) uitverkoren als dè standaard streekbus en qua uiterlijk zéér herkenbaar, ook voor niet-ESO-leden vrij verkrijgbaar. DAF had, als alternatief, inmiddels een vrijwel identiek chassis, de DAF MB200, ontwikkeld, dat de eerste jaren was voorzien van dezelfde Leyland-0-680-motor. Een brand legde eind 1970 de "Leyland Motor Corporation NV (v/h Auto-industrie Verheul)" volledig in de as. Het bedrijf werd niet herbouwd. De lopende opdrachten werden uitgevoerd door Domburg en Den Oudsten. Enkele jaren later verdween Leyland van de markt, werd DAF de belangrijkste chassisleverancier en Den Oudsten de belangrijkste carrossier. Voor enkele kleinere series paste men Volvo- of Mercedes-Benz-chassis, bijna alle eveneens met underfloormotor, toe of geschiedde de busopbouw door Hainje, Van Hool, Domburg, Van Rooyen of Jonckheere. Vanaf begin tachtiger jaren kwamen er ook gelede bussen volgens hetzelfde concept. Het oorspronkelijke model is, met latere alternatieven of modificaties (zoals verlaagde middenfries, langere vooroverbouw, zonwerend glas, geplakte ruiten, geknikte stuurkolom, vol-automatische versnellingsbak of, naar wens, met individuele afwijkingen) geleverd tot 1988. Nieuw geleverd van 1967 tot 1988 betekent dat de gebruiksperiode van dit zeer herkenbare bustype zich uitstrekte tot ca. 2005, dus bijna gedurende veertig jaren. Daarmee was dit model in Nederland beeldbepalend voor het streekvervoer en voor een groot deel van de ca. 40 steden, waar een streekvervoerbedrijf het stadsvervoer verzorgde. Het concept werd ook geleverd aan ondernemers in Israel, België en Frankrijk. In totaal zijn meer dan 5500 exemplaren van dit model standaardstreekbus gebouwd, waarvan ruim 1700 op basis van Leyland en meer dan 3500 op DAF-onderbouw. Bijna 7 % kwam van Verheul en ruim 84 % werd door Den Oudsten geleverd. ► Type De EMA 191 is een wagen in gestandaardiseerde lijndienstuitvoering, zij het dat enkele specifieke EMA-wensen tot een typisch bij het particuliere bedrijf passende verschijning hebben geleid. Zo is de wagen voorzien van de zgn. KLM-kop (die oorspronkelijk bedoeld was om voor de KLM bestemde bussen een fraaier en onderscheidend vooraanzicht te geven), een uitstapdeur achter de achteras en een grote staanplaatsruimte achterin. De bus is voorzien van een automatische versnellingsbak. ► Object Het object was de laatste aanwinst van de in 1986 nog zelfstandige EMA-Openbaar Vervoer B.V. en werd tot na de eeuwwisseling gebruikt voor het streekvervoer in het gebied ten zuiden van Eindhoven. Ook nadat het bedrijf was ingelijfd bij de BBA. De laatste rit onder EMA-vlag werd ook door de 191 uitgevoerd. ► Object als erfgoed Na de buitendienststelling van de 191 door de BBA wist de werkgroep Brabant van de SVA de wagen te verwerven. Die zorgde voor een grondige restauratie, waarbij het object in de oorspronkelijke EMA-uitvoering werd teruggebracht. RepresentatiewaardeSchakelwaarde Niet van toepassing. ► IJkwaarde De ijkwaarde is enerzijds hoog, omdat het voertuig een representant is van de in ongekend grote aantallen gebruikte autobus, anderszins erg betrekkelijk door de nogal ingrijpende verschillen met de meest voorkomende uitvoeringen. ► Symboolwaarde Ontbreekt, zij het dat de wagen het enige overgebleven exemplaar is dat herinneringen oproept aan het particuliere streekvervoerbedrijf EMA. Vooral particuliere bedrijven achtten zich minder gebonden aan de uniformiteit die vooral door de grotere bedrijven was bepaald of werd nagestreefd. Zeldzaamheid Van het concept zijn diverse voertuigen bewaard gebleven, zowel in een uitvoering op DAF-chassis als gebouwd door Den Oudsten. De EMA 191 is echter een voorbeeld van een combinatie van een aantal weinig voorgekomen afwijkingen van het massaproduct. Staat van het object Het object verkeert in een goede conditie en is rijvaardig. Ensemblewaarde Ontbreekt. Presentatiepotentieel Het presentatiepotentieel van de EMA 191 alleen is niet bijzonder groot, omdat de vele afwijkingen t.o.v. het standaardproduct, elk op zich, vrij weinig voorkwamen. Het is groter als hij wordt getoond samen met andere wagens die afgeleid zijn van hetzelfde basisconcept, zoals genoemd onder Historische context. Dan wordt het mogelijk om te laten zien hoe met behoud van de voordelen van standaardisatie door modulebouw toch een veelheid aan uitvoeringsvarianten mogelijk is geweest. Cultuurhistorische waarde Het object demonstreert een eerder niet vertoonde graad van standaardisering van vooral streekvervoermaterieel, waarbij door een ver doorgevoerde modulebouw toch aan allerlei specifieke gebruiks- en gebruikerswensen voldaan kon worden. Naarmate er meer 'eenheidsproducten' op de weg verschenen, ontstonden zulke wensen, om bijzondere of bedrijfsgebonden redenen of uitsluitend vanwege het onderscheidend effect, vooral bij de kleinere, particuliere bedrijven. Dit kwam gedurende meerdere decennia en alom in Nederland voor.

Kerninformatie

Sector
wegvoertuigen
Type
Dieselbus Autobussen
Functie of soort gebruik
Personenvervoer (streekvervoer)
Techniek voortbeweging
Motor: 6-cylinder ondervloer dieselmotor (165 pk) Versnellingsbak: volautomatisch Remsysteem: luchtdruk Capaciteit: 40 zitplaatsen
Periode gebruik
1986 - 2002

Bouwjaar
1986
Fabrikant/Producent/Werf
Chassis: DAF (Eindhoven) Carrosserie: Den Oudsten (Woerden)
Merk & Model
DAF - Grote streekbus met horizontale motor in het midden onder de vloer, enkele instapdeur voor de vooras en enkele uitstapdeur achter de achteras. Carrosserie met strakke vormen; front met gebogen vormen (de zgn. "KLM-kop" van Den Oudsten). Zitplaatsen op twee rijen dubbele banken op podesten; geen achterbank, maar in de plaats daarvan en "balkon" met staruimte. Kleuren: gele onderzijde met onderaan een brede en bovenaan een smalle donkergroene baan, donkergroene raampartij en wit dak. Zilvergrijze bumper. EMA-logo in zwart en rood op de zijkanten.
Bron
NRME

Aanvullende informatie

Voortbordurend op eerdere ontwerpen, bouwde Verheul in 1967 een type bus dat kan worden beschouwd als de oervorm van de moderne gestandaardiseerde streekbus, zoals deze vele tientallen jaren het beeld bij het Nederlandse streekvervoer bepaalde. Het betrof de befaamde 1000-serie, waarvan destijds de eerste exemplaren werden geleverd aan de NZH. De strakke carrosserie, grotendeels van polyester beplating voorzien, vertoonde trekken van eerdere Verheul-bussen en ook de motor was een oude bekende: de bewezen succesvolle Leyland O.680 motor van ca. 165 pk. Toch was, met gebruikmaking van hetgeen was verkregen uit langdurige onderzoeken en proefnemingen, een moderne, aantrekkelijke en rationele bus ontstaan. Van dit type werden in de loop der tijd grote aantallen gebouwd; aanvankelijk vooral met Leyland-componten en later op basis van een DAF-onderstel. Na het verdwijnen van Verheul was het met name Den Oudsten die zeer grote series standaardbussen bouwde, voor vrijwel alle streekvervoerbedrijven. Jarenlang was dan ook de DAF MB200 met een carrosserie van Den Oudsten dé streekbus in Nederland. Met behoud van het oorspronkelijke basisontwerp werden in de loop der tijd ook allerlei varianten gemaakt: korte bussen voor de stadsdienst, bussen in toeruitvoering, gelede bussen, etc. Bovendien evolueerde het uiterlijk, bijvoorbeeld door de toepassing van grotere ruiten, andere koplampen en een gewijzigd front en ook doordat gebruik werd gemaakt van nieuwe technieken, zoals geplakte ramen. Toch was dit niet meer dan het voortborduren op het oorspronkelijke ontwerp en altijd bleef het betreffende voertuig onmiddellijk herkenbaar als "standaardbus". Ook bij de EMA, het particuliere lijndienst- en touringcarbedrijf uit Valkenswaard kwamen op den duur "standaardbussen" in dienst. De aanhalingstekens staan hier bewust, omdat de betreffende bussen qua uiterlijk toch wel behoorlijk afweken van de doorsnee standaard streekbus. De geschiedenis van de EMA gaat terug tot 1921, toen Hendrik Jonkers met een zevenpersoons Adler een busdienst begon tussen Valkenswaard en Luyksgestel. De naam van deze onderneming, Valkenswaardsche Auto Omnibus Onderneming, werd in 1924 wat ruimer geformuleerd en gewijzigd in Eerste Meijereische Autodienst, kortweg EMA. Kennelijk had men grootse plannen, maar achteraf dekt de vlag de lading niet, want het busbedrijf van de EMA ontwikkelde zicht vooral in de streek tussen Eindhoven, Weert en Bergeyk, met uitlopers naar België. Dit gebied staat bekend als De Kempen en is in feite een uitloper van het veel grotere gebied met die naam bij onze zuiderburen. Hoe dan ook, de EMA slaagde er, met het vallen en opstaan dat kenmerkend was voor bijna alle pioniers op busgebied, toch in om vaste voet aan de grond te krijgen in het gebied ten zuiden van Eindhoven. Naast de lijndienst had de EMA ook heel veel werk aan het omvangrijke arbeidersvervoer van en naar Eindhoven (met name voor de fabrieken van Philips en DAF uiteraard). Dit groepsvervoer werd later in samenwerking met de andere streekvervoerders (BBA en Zuidooster) uitgevoerd onder auspiciën van de speciaal hiertoe in 1948 door Philips opgerichte VIPRE-organisatie (Vervoer Industrieel Personeel Regio Eindhoven). Ook toerwerk werd door de EMA verzorgd en vanaf 1949 verwierf men eveneens het dealerschap van Mercedes, voor zowel personen- als bedrijfsauto's. De EMA was hierdoor een zeer divers bedrijf geworden. Lange tijd kon de EMA als particulier strekvervoerbedrijf het hoofd boven water houden, maar zoals het zoveel busbedrijven verging: vanaf eind jaren zestig, begin jaren zeventig liep het aantal passagiers en daarmee de omzet snel terug. Overheidssteun was onvermijdelijk, maar daartoe moesten er wel wat ingrepen plaatsvinden. Zo werd het lijndienstbedrijf als "EMA Openbaar Vervoer BV" afgesplitst van de overige bedrijfsonderdelen. Hierdoor liep het Rijk niet het risico dat haar voor het streekvervoer bedoelde subsidies verkeerd terecht kwamen. Toch ontstond in latere jaren een verschil van mening tussen de EMA en de overheid over de in het verleden verstrekte subsidies en dit conflict leidde uiteindelijk het einde van de EMA-lijndiensten in. Dat eind kwam op 31 december 1986, toen de op dat moment nieuwste EMA-streekbus, de 191, de laatste rit van Eindhoven naar Valkenswaard uitvoerde. De volgende dag was het de BBA, die met dezelfde bussen (nu echter voorzien van een BBA- in plaats van een EMA-logo) het vervoer overnam. De EMA ging door met haar andere activiteiten, zoals het tourvervoer en het Mercedes-dealerschap. Met dit laatste is de EMA tot op de dag van vandaag nog een toonaangevend bedrijf in de regio. Ook als tourwagenonderneming is de EMA nog actief. Als particulier bedrijf was de EMA altijd geheel vrij om zelf naar eigen inzicht en wens bussen aan te schaffen. Het EMA-materieel had dan ook altijd een eigen "gezicht" en uitstraling. Hoewel de EMA zoals vermeld Mercedes-dealer was, kocht men voor het streekvervoer meestal bussen van het merk DAF en ook de bij zoveel andere streekvervoerders in gebruik zijnde DAF-MB vond z'n weg naar de EMA. Aanvankelijk door Van Hool of Jonckheere van een opbouw voorzien, maar vanaf 1979 ook met een carrosserie van Den Oudsten. Toch oogden deze DAF/Den Oudsten bussen bepaald niet als de standaard streekbussen die men elders in het land zag rijden. Dat kwam vooral omdat ze voorzien waren van de zogenaamde "KLM-kop". Dit was een front dat niet de bekende rechte, hellende voorruit met de twee driehoekige ruitjes had, maar in plaats daarvan meer afgeronde vormen en gebogen voorruiten kende. Den Oudsten had dit carrosseriemodel speciaal ontworpen voor het autobusbedrijf van de KLM, dat destijds eigen lijndiensten exploiteerde van de vier grote steden naar de luchthavens Schiphol en Zestienhoven. Hoewel ze ook enkele bussen van het standaardmodel had, wilde de KLM toch materieel met een eigen gezicht en Den Oudsten was daarin met de speciale vormgeving van het front zeker geslaagd. Naast de bussen voor de KLM paste Den Oudsten de "KLM-kop" nog toe op een aantal tourwagens voor diverse streekvervoerders, maar verder was de EMA de enige grote klant voor dit bijzondere model. Niet alleen het uiterlijk van de EMA-bussen week daarmee af, ook de inrichting was afwijkend. De EMA liet haar bussen uitvoeren met een achterdeur in plaats van de gebruikelijke middendeur en ter hoogte van die achterdeur was een soort "stabalkon" gecreëerd, door het achterwege laten van een achterbank. Door dit arrangement werd de doorstroming van de passagiers bevorderd, wat zeker op het drukke voorstadsvervoer van en naar Eindhoven goed van pas kwam. De EMA 190 en 191, die in 1986 in dienst kwamen, waren de laatste streekbussen die de EMA nog zou aanschaffen en zoals al eerder vermeld viel de 191 de "eer" te beurt om de allerlaatste EMA-lijndienst te rijden. Samen met de andere streekbussen werd hij per 1 januari 1987 onderdeel van het wagenpark van de BBA. Maar behalve dat er een andere naam op de bus verscheen, veranderde er niet veel en nog jarenlang verrichtte de 191 in de bekende geel/groene EMA-uitvoering zijn diensten in het vertrouwde gebied van De Kempen. Pas met de komst rond de eeuwwisseling van nieuwe Mercedes Citaro streekbussen, werden de laatste ex-EMA bussen overbodig en konden ze door de BBA worden ingeruild. De SVA wist daarna de 191 te verwerven en zorgde er voor dat de bus grondig werd gerestaureerd en weer werd teruggebracht in de fraaie oorspronkelijke EMA-uitvoering.

Materiaal

Stalen chassis met aparte carrosserie, bestaande uit een gelast metalen framewerk met polyester beplating


Ontwerper(s)

Chassis: DAF Carrosserie: Den Oudsten

Ontdek een willekeurig voertuig uit de collectie

Streekbus - Mobiele Collectie Nederland