
Stadsbus
Ter vervanging van een grote verscheidenheid aan sinds de Tweede Wereldoorlog voor het Nederlandse openbaar vervoer gebruikte vervoermiddelen, heeft in de jaren 1950 de beschikbaarheid en de toepassing van tussen de assen, onder de vloer geplaatste motoren en van halfautomatische versnellingsbakken doorgezet. Ten opzichte van de tot dan toe gebruikelijke uitvoeringen zijn meest in het oog springende eigenschappen van dit "underfloor"-concept: - Goede wendbaarheid bij efficiënt gebruik van wegoppervlak - Goede benuttingsmogelijkheden van de beschikbare ruimte in het voertuig, zonder obstakels behalve de wielkuipen - Ontworpen voor de toen in zwang komende eenmansbediening - Goede doorstroming van passagiers - Gemakkelijker bediening door chauffeur - Lager gewicht van het voertuig met goede gewichtsverdeling over de assen, onafhankelijk van de bezettingsgraad en daardoor veiliger remkrachtverdeling De bekende busbouwer Verheul ging hierbij nog een stap verder, met de ontwikkeling van een semi-zelfdragende (meedragende) carrosserie op een licht onderstel, met ondervloer-motor en andere mechanische componenten van Leyland. Dit concept leidde tot twee uitvoeringen: de Royal Holland Coach, met een lengte van 11 meter (destijds het wettelijke maximum), een wielbasis van circa 6 meter en vooral bedoeld als streekbus en de Holland Coach, met zijn lengte van 9,4 meter en wielbasis van 4,57 meter met name bedoeld als stadsbus. Voor de Royal Holland Coach gebruikte Verheul Leyland-componenten van het het type Royal Tiger, terwijl het type Tiger Cub leverancier was voor de Holland Coach. Dit Verheul concept bleek succesvol en met de Holland Coach ontstond een moderne, korte en lichte stadsbus, goed wendbaar in binnensteden waar verkeersruimte beperkt is. In het tijdvak 1954-1961 werden in totaal 169 stadsbussen van dit type geleverd. Vijftig aan de GEVU te Utrecht, negentig (waarvan 35 met een gebogen reflectievrije voorruit volgens het Werkspoor-octrooi) aan de NZH voor de stadsdiensten in Haarlem en Leiden, twintig (waarvan tien met achterdeur i.p.v. middendeur) aan de VAD voor de stadsdienst in Apeldoorn en Harderwijk en negen aan de firma Nefkens, die in Amersfoort het stadsvervoer verzorgde. De Holland Coaches van de NZH kwamen in dienst in de jaren 1955/1956 en waren uitgevoerd in de toenmalige grijs/witte kleurstelling van het bedrijf. Vele jaren reden zij tot grote tevredenheid hun diensten op de stadslijnen in en om Haarlem en Leiden, maar vanaf 1966 werden de Holland Coaches bij de NZH afgelost door de nieuwe Leyland-Verheul LVS stadsbussen uit de serie 5354-5374. Een groot deel van de Holland Coaches werd verkocht. Zo namen onder andere de WSM en de VAGU enkele van deze bussen over. Twee stuks, de 5511 en 5540 gingen in 1966 naar Amersfoort en kwamen in dienst bij de CAWA, de Centrale Werkplaats voor Aangepaste Arbeid. Daar deden ze dienst tot 1971, toen ze werden overgenomen door Nefkens, het bedrijf dat in Amersfoort de stadsdienst uitvoerde en zelf ook een aantal Holland Coaches in dienst had. De CAWA 1 (ex NZH 5540) werd onderdelenleverancier (plukbus) en de CAWA 2 (ex NZH 5511) kwam in dienst als de Nefkens 17. De bus werd bij Nefkens alleen gebruikt voor groepsvervoer. Op 28 mei 1980 werd de wagen overgenomen door de MUSA en werd enige tijd (in de Nefkens-uitvoering) ingezet voor museumdiensten in en om Amsterdam. In een later stadium werd begonnen met de restauratie en het weer in de NZH uitvoering brengen van de 5511, maar door omstandigheden werd dit werk nooit afgemaakt. In 2011 is de bus in gedemonteerde staat door het Haags Bus Museum overgenomen en voorlopig opgeslagen. Uiteraard is het de bedoeling te zijner tijd de ooit bij de MUSA gestarte restauratie voort te zetten, met het doel daarna weer een fraaie NZH-stadsbus uit de jaren vijfitg/zestig te kunnen tonen.












