
Streekbus
Culturele biografie ► Historische context De kort na de tweede wereldoorlog in dienst gestelde Crossley-autobussen van de NS-streekvervoerondernemingen hadden rond 1960 elk 1,5 à; 2 miljoen kilometers afgelegd en waren aan vervanging toe. Na enkele series kleinere bussen voor de stadsdiensten bestelde de Inkoopcommissie van NS, eveneens bij Leyland, een groot aantal zogenaamde 'A-Road components'. Daarmee werden door verschillende fabrikanten te bouwen autobussen met een lengte van 11 meter (tot in 1963 de maximale maat), die bestemd waren om dienst te doen op A-wegen (dus met een voertuigbreedte van 2,50 m), uitgerust. De belangrijkste kenmerken van deze series waren de 'underfloor'-motor tussen de assen, een automatische koppeling (waardoor geen koppelingspedaal nodig was), een met behulp van luchtdruk geschakelde wisselbak en zeer soepel (onafhankelijk) afgeveerde voorwielen. Als meer trekkracht nodig was (b.v. bij inzet als semi-toerwagen) zijn soms een zwaardere motor, een achteras met 2 naar behoefte in te schakelen reducties en/of een vijfversnellingsbak aangebracht. De onafhankelijk geveerde vooras werd niet aangeboden op andere in Nederland verkochte Leylands. De bussen zijn gebouwd door Verheul (type LV), Werkspoor (type LE-WS) en Van Hool (type LE-HO) en wel met vlakke vloer (met dos à; dos plaatsen boven de wielkuipen) of verhoogde vloer (alle zitplaatsen vooruitrijdend), 1 of 2 bedrijfsdeuren en in lijndienst- of semi-toeruitvoering. De vormgeving van de achterzijde verschilde per fabrikant. Behalve de 44 semi-toerwagens met de 7300-parknummers - die van een Van Hoolfront werden voorzien - kregen alle wagens een reflectievrije voorruitenpartij, hetzij volgens Werkspoorpatent (zgn."bolramer"), hetzij in één van de geknikte uitvoeringen. De over slechts enkele jaren gespreide vervanging van de meer dan 900 bijna gelijktijdig ingestroomde Crossley-autobussen door ca.1000 Leyland "A-road"-wagens en enkele series andere Leylands, Scania-Vabis en DAF trambussen veroorzaakte vanzelfsprekend grote pieken en dalen in de productie- en vernieuwingsprocessen en kapitaalbehoeften. De RTM werd in 1963 in het NS-concern opgenomen, waardoor de specifiek voor de NS-dochterondernemingen bestemde producten ook voor de RTM beschikbaar kwamen. ► Type De RTM 38 is een Leyland-LV in gestandaardiseerde lijndienstuitvoering met alle zitplaatsen vooruitrijdend, smalle voordeur, geen aparte uitstapdeur en is voorzien van het laatste model Verheul-voorruitpartij (althans voor de A-roads) met verticale onderruitjes. Het passagiersmeubilair is echter afwijkend van het standaard-model. Gedurende vele jaren waren de Leyland "A-roads" mede door hun grote aantal beeldbepalend voor het streekvervoer op de zware lijnen in grote delen van Nederland. Vooral rijeigenschappen, gemakkelijke bediening (ofschoon stuurbekrachtiging bij deze wagens nog ontbrak) en levensduur scoorden voor die tijd ongekend hoog. ► Object Het object behoorde tot één van de laatste bouwopdrachten voor dit bustype. De wagen heeft altijd bij de RTM en diens rechtsopvolgers dienstgedaan. In de RTM-periode was het object getooid met de naam 'Wasbeer' en droeg de daarmee overeenkomende afbeelding. ► Object als erfgoed Nadat de wagen werd overgedragen aan de SVA, is de autobus in de oorspronkelijk aanwezige RTM-kleurstelling teruggebracht. Representatiewaarde ► Schakelwaarde Met de serie autobussen waarin de RTM 38 is gebouwd kwamen de eerste wagens met rondom polyester beplating. ► IJkwaarde De ijkwaarde is hoog, omdat het voertuig een representant is van de in grote aantallen gebruikte A-road-autobus, in een zeer groot deel van Nederland. ► Symboolwaarde De RTM 38 heeft geen bijzondere symboolwaarde. Zeldzaamheid Van de vele Leyland A-road-bussen zijn verscheidene exemplaren bewaard gebleven, waarvan enkele van het type Leyland-LV. Staat van het object Het object bevindt zich in redelijk goede staat en is rijdbaar. Ensemblewaarde Niet van toepassing. Presentatiepotentieel Is vrij hoog, althans als verwezen wordt naar de ontwikkeling van het openbaar vervoer op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden met zijn sterk op Rotterdam gerichte vervoerstromen, de historie van de RTM met zijn specifieke omstandigheden, gebruiken en gewoontes, de gevolgen van de eigendomsoverdracht van het bedrijf en daardoor de veranderingen in het toegepaste materieel. Cultuurhistorische waarde Naast de onder Presentatiepotentieel genoemde punten is het object waardevol om te kunnen (laten) zien waarmee en op welke wijze het direct na de tweede wereldoorlog ingestroomde materieel in grote delen van Nederland is opgevolgd. Mede door de relatief grote aantallen is daarmee ook de stapsgewijze ontwikkeling in de voertuigeigenschappen en het begin van de standaardisering en harmonisering duidelijk zichtbaar. Voor het bedrijf RTM markeert deze wagen bovendien de overgang naar haar status als NS-dochter en het beëindigen van de tramexploitatie.












