
Stadsbus
Voortbordurend op eerdere ontwerpen, bouwde Verheul in 1967 een type bus dat kan worden beschouwd als de oervorm van de moderne gestandaardiseerde streekbus, zoals deze vele tientallen jaren het beeld bij het Nederlandse streekvervoer bepaalde. Het betrof de befaamde 1000-serie, waarvan destijds de eerste exemplaren werden geleverd aan de NZH. De strakke carrosserie, grotendeels van polyester beplating voorzien, vertoonde trekken van eerdere Verheul-bussen en ook de motor was een oude bekende: de bewezen succesvolle Leyland O.680 motor van ca. 165 pk. Toch was, met gebruikmaking van hetgeen was verkregen uit langdurige onderzoeken en proefnemingen, een moderne, aantrekkelijke en rationele bus ontstaan. Van dit type werden in de loop der tijd grote aantallen gebouwd. Afgeleid van de Leyland-Verheul LVB668 streekbus, ontwikkelde Verheul gelijktijdig een "stadsbus voor middelgrote steden", gebouwd eveneens op Leyland-Verheul chassis, type LVS, en voorzien van een underfloor Leyland EO.600-motor. Bij deze bus werd gebruik gemaakt van componenten van de Royal Tiger Cub, waardoor ook hier een zekere mate van standarisatie ontstond. Het zo ontwikkelde model kreeg van Verheul de type-aanduiding LVS 560 mee, maar door de RDW werd het type gekeurd als L.V.S. Van dit model zijn in totaal 19 wagens gebouwd. Belangrijkste afnemer was het Gemeentelijk Vervoerbedrijf Groningen, dat ter vervanging van verouderd stadsbusmaterieel in 1967 totaal 11 stuks bestelde. Hiervan werden de subseries 1-4 en 8-11 geleverd als 29 zits stadsbus en voorzien van een bagagerek nabij de achteruitstapdeur. De wagens 5-7 kwamen op 1 juli 1968 in dienst als "semi-toer" wagens. Het GVBG had toen nog drie zogenaamde vergunningen voor Toer- en Ongeregeld Vervoer, vandaar dat deze wagens dubbele rijen banken hadden alsmede bagagenetten boven de linker- en rechter rij dubbele banken. Een bagagerek bij de uitstapdeur ontbrak. Deze wagens telden 41 zitplaatsen, waarvan een deel uitneembaar was en waardoor de wagens voor stadsvervoer konden worden gebruikt. Dit uitnemen van een deel van het interieur is slechts sporadisch gebeurd. Een vervolgserie kwam er in 1970, toen zeven vrijwel identieke wagens werden besteld. Zes werden geleverd onder de nummers 12-17. De laatste, die 18 zou worden, stond op 9 december 1970 klaar voor aflevering, toen de Verheul-fabriek in een baaierd van vuur totaal werd verwoest. De enige andere gebruiker van dit type was de firma Harmanni, die in december 1968 onder parknummer 73 een dergelijke stadsbus met 31 zitplaatsen in dienst stelde op de stadsdienst Assen. Deze Groningse wagens hadden in het front de lijncijferfilm en de bestemmingsfilm in groot kapitaal, rechts en achterop bevonden zich eveneens lijncijferfilmkasten. De inzet op de diverse stadslijnen in Groningen was weinig spectaculair. In verband met de invoering van een nieuw en gewijzigd lijnennet naar het ontwerp van Ir. Lehner, per 29 april 1973, was de reden van het vervangen van de bestemmingsfilms door nieuwe, in eigen beheer vervaardigd in letters in klein kapitaal. In de jaren daarna deden de wagens dienst op alle stadslijnen in Groningen. Vanwege het naderende 75-jarig jubileum van het GVBG,werd de 7 eind 1980 definitief aan de dienst onttrokken. De bus onderging een opknapbeurt, werd geschilderd en kreeg de ingebouwde brievenbus terug. Bij de viering van het 75-jarig jubileum, op 7 maart 1981, werd stadsbus 7 voor een symbolisch bedrag (7 gulden) overgedragen aan het Noordelijk Bus Museum. Deze overdracht vond plaats aan de voet van de Martinitoren en kreeg ruime aandacht in de plaatselijke pers en ook de (toen nog) RONO besteedde door middel van een rechtstreekse radio-uitzending aandacht aan dit feit. Stadsbus 7 heeft tot 2009/2010 in de stalling Winschoten gestaan en wordt sindsdien tentoongesteld in het Nationaal Bus Museum in Hoogezand.












