
Streekbus
In het jaar 2001 kwam er een strengere Europese emissiestandaard onder de naam Euro III. De leverancier van de busmotor die tot dan toe werd gebruikt voor de Berkhof-bussen wilde deze (voorlopig) niet aanpassen aan de nieuwe norm. Berkhof kon eenvoudigweg de motor vervangen voor een model dat wel voldeed aan de nieuwe standaard, daarbij gebruikte het bedrijf dit als startpunt voor een ingrijpende productinnovatie. Omdat zowel in de bouw als bij de exploitatie van stads- en streekbussen de marges niet erg hoog zijn, zocht Berkhof naar een model dat zowel voor henzelf als voor de vervoersmaatschappij winstgevend is. Door af te stappen van de traditionele bouwwijze heeft men een lichtgewicht streekbus ontwikkeld die aanzienlijk minder brandstof verbruikt. Traditionele bussen hebben een zware stalen kooiconstructie, maar het nieuwe type krijgt zijn stevigheid door de combinatie van speciale kunststof panelen en een licht frame. Componenten als dak, vloeren en zijwanden worden compleet aangeleverd en hoeven alleen nog geassembleerd te worden. Het plaatwerk en een aantal interieurdelen is niet van polyester maar van koolstofvezel gemaakt. Dat is een groot verschil met traditionele bussen, waarvan de opbouw nog helemaal in elkaar gelast wordt. Deze vereenvoudigde opbouw heeft ervoor gezorgd dat het aantal productie-uren per bus met ongeveer de helft is gedaald. Het bouwen van de bus gaat nu in dertien stappen, van kaal chassis tot een complete rijklare passagiersbus. Na elke stap schuift de bus op voor de volgende bewerking in de fabriekshallen. De grootste winst voor het vervoerbedrijf zit uiteindelijk in de exploitatie van de bus, elke kilogram extra gewicht kost meer brandstof bij het optrekken en afremmen. Door gebruik van lichtgewicht materialen ontwierp Berkhof een bus die 25 procent minder weegt dan zijn voorgangers. Dit levert in de praktijk een brandstofbesparing op van 15 tot 20 procent. Een bus rijdt op jaarbasis gemiddeld zestig- tot zeventigduizend kilometer, waardoor de vervoerder gemiddeld 3000 liter brandstof per bus kan besparen. Bij de zoektocht naar de mogelijkheden om de bus zo licht mogelijk te maken speelde de ontwikkelingen op de markt van busbouwers ook een belangrijke rol. De Britse firma TransBus International was een nieuwkomer op de Europese markt en ontwikkelde in 2001 een lichtgewicht bus onder de naam Dennis Dart voor Arriva Nederland. Hetzelfde jaar ontwikkelde ook het Britse Wrightbus een low-cost 12 meter bus voor Arriva Nederland onder de naam Wright Commander. Deze bus werd geleverd in een stads- en streekuitvoering. Daarnaast ontwikkelde Wright een midi-stadsbus van 10,6 meter onder de naam Wright Cadet. Het onderstel van beide types kwam van het Nederlandse DAF/VDL Bus, een onderdeel van de VDL Groep waar ook Berkhof onder valt. De nieuwe Berkhof-bus kreeg de naam "Ambassador" en werd net zoals de Wrightbussen geproduceerd in een 12 meter en 10,6 meter variant. Bij de ontwikkeling van de Ambassador kreeg het bedrijf subsidie van Novem (Nederlandse organisatie voor energie en milieu) vanuit het programma DEMO. De aanschafkosten van een "klassieke" lagevloerbus lagen fors hoger dan een hogevloerbus. De aanschafprijs van een Ambassador ligt echter op het niveau van een hogevloerbus, circa 180.000 euro. Bussen met een volledig lage vloer zijn wat duurder in aanschaf, circa 200.000 euro. Ook in de onderhoudskosten nemen de verschillen tussen toegankelijke bussen en "klassieke" bussen snel af. Dit komt vooral doordat de eerste generatie, vanaf eind jaren tachtig in grote getale gebouwde lagevloerbussen, vanaf 2000 werd afgevoerd. De gedurende de gehele levensduur opgedane ervaringen konden zo worden verwerkt in de huidige generaties lagevloerbussen. Vervoersmaatschappij Connexxion had zoveel vertrouwen in de verwachte exploitatie-voordelen en de techniek van het concept, dat ze zelfs al een order plaatsten toen het ontwerp nog op de tekentafel lag. Op de busshow in Kortrijk in oktober 2001 stelde Berkhof het prototype van de nieuwe lichtgewicht bus voor in de huisstijl van Connexxion. De resultaten van de lichtgewicht bus vielen in de praktijk niet tegen, Connexxion bestelde daarom in totaal 55 exemplaren voor de levering in 2002 en nog eens 70 exemplaren voor 2003. Voor dochteronderneming Hermes plaatste Connexxion ook een order van 94 bussen (1700-serie), waarvan overigens de eerste 33 van het stadsbustype Berkhof Jonckheer waren. De andere Nederlandse vervoerbedrijven waren eerst wat afwachtend in het plaatsen van grote bestellingen. Voordat nieuwe bussen werden aangeschaft moesten eerst concessies (vergunningen) verworven zijn. In die tijd stelden concessieverleners ook nog geen specifieke eisen ten aanzien van het gewicht van de bus of het brandstofverbruik. Het milieu is tegenwoordig wel een belangrijk aspect bij de openbare aanbestedingen. Omdat het materieel in het openbaar vervoer sinds 2010 toegankelijk dient te zijn, zullen vervoerders vrijwel per definitie (semi-)lagevloerbussen aanschaffen. Dit heeft de populariteit van de bus positief beïnvloed. De lichtgewicht bus brengt de meeste winst op in het streekvervoer. Stadsbussen worden immers veel zwaarder belast doordat er meer passagiers korte afstanden afleggen met de bus. Daarom werd de zwaardere stadsbus Berkhof Jonckheer nog steeds gemaakt, totdat deze in 2008 werd opgevolgd door de VDL Citea. De naam Berkhof werd in 2003 gewijzigd in VDL Berkhof na een reorganisatie bij de VDL Groep. De bus werd hierdoor voortaan ook als VDL Berkhof Ambassador geproduceerd. De DAF-chassis werden voortaan ook onder de naam VDL geproduceerd. Door toevoeging van AdBlue wordt het mogelijk dat dieselmotoren voldoen aan de in 2005 ingevoerde Euro IV-norm en de Euro V-norm. Op 10 september 2010 maakte VDL Bus & Coach bekend dat men de aanduiding VDL Citea gaat gebruiken voor alle grote lijndienstbussen. Hierdoor werd de 12 meter versie in oktober 2011, tien jaar nadat de bus in productie ging, omgedoopt in VDL Citea LLE (Light Low Entry). Toen waren er in totaal 2750[1] Ambassadors gebouwd voor bedrijven in Nederland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Finland, Italië, Israël en de Baltische staten. In mei 2012 zijn er nog twee 12 meter Ambassadors afgeleverd aan Syntus Overijssel. De als museumbus bewaarde Ambassador is in 2003 in dienst gekomen onder het toenmalige nummer 1451. Het was de eerste Ambassador voor het bedrijf Syntus. Later is de bus vernummerd in 2151 en in 2013 kreeg hij het nummer 3051. Als de bus weer in zijn oorspronkelijke staat is teruggebracht, zal het nummer 1451 weer aangebracht worden. Tot die tijd blijft het nummer 3051 gehandhaafd.



.jpg&w=1920&q=75)








