
Stadsbus (Midi bus) Serie: 585-591 Merk: Neoplan Model/uitvoering: Neoplan N707 - Mercedes-Benz OM352 - Hainje CSA-2
Historische context Bij de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog werd in het openbaar vervoer zoveel mogelijk naar kostenbesparing gekeken. Landelijk regelden de NS dat voor haar dochterondernemingen, maar het stedelijk vervoer lag in handen van de desbetreffende gemeenten en die gingen hun eigen weg op materieelgebied. De gemeentelijke budgetten waren kleiner en dus werden er ook kleinere series bussen besteld. De fabrikanten probeerden hun producten voor een dusdanige prijs aan te bieden dat het voor meerdere bedrijven interessant was om het product bij hun te bestellen. Dat leidde midden jaren vijftig tot sterk op elkaar lijkende of identieke bustypes die in een paar steden gingen rijden; een vorm van standaardisatie. Het inzicht van een lagere prijs bij grotere bestellingen en de grote groei van het busvervoer in en rond de steden leidde er in 1961 toe dat de Commissie Standaardisering Autobusmaterieel (CSA) in het leven werd geroepen, waarin onder andere de stadsvervoerbedrijven van de vier grootste steden zitting namen. Bij het proces had men uiteraard nauw samengewerkt met de autobusindustrie. De eerste standaardstadsbus rolde in 1966 van de band, de laatste in 1982. Meer dan 1.500 bussen van de eerste generatie hebben bij de negen stadsvervoerders gereden. Eind jaren 1970 kwam de commissie weer bij elkaar voor de opvolger; de tweede generatie. Het type Als opvolger van de succesvolle eerste generatie standaardstadsbus (CSA-1) ontwikkelde Hainje met DAF de CSA-2. Deze verscheen in 1982 voor het eerst op de weg. Het eerste exemplaar werd geleverd aan de RET uit Rotterdam. Het prototype stond in februari 1982 op de Bedrijfsautotentoonstelling in het RAI-gebouw en maakte aansluitend een tournee langs geïnteresseerde steden. Ook ontwikkelde Hainje een midi-variant voor de steden met buslijnen over smallere wegen. De perspresentatie van deze busjes vond plaats in maart 1984. De bussen van deze serie waren milieuvriendelijk en voorzien van een stempelautomaat, mobilofoon en een windvanger bij de chauffeursruit. De motor zat achterin, ingekapseld in isolatiemateriaal, zodat het motorgeluid grotendeels werd geabsorbeerd. Voor de passagiers was de bus ook prettiger door de comfortabelere beenruimte, het hoger opgetrokken dak en de lage instap met een vlakke vloer. Een reflectievrije ruit met ontwaseming werd zonder middenstijl in het front ingepast. De busjes bleken in de praktijk te groot te zijn voor lijn 30 van Zunderdorp naar Holysloot en regelmatig raakte een bus van de weg en nam een duik in een van de slootjes. Bovendien bleken ze slap in de vering te zitten waardoor ze op de steile bruggetjes regelmatig de grond raakten met de achterzijde. Om schade te voorkomen werd hier al snel een extra stootbalk gelast. Naast de lijn in Landelijk Noord (lijn 90 en later 30) deden ze ook dienst op lijn 26, 56 en de belbuslijnen 46 en 49 in de Bijlmermeer. Na zes jaar nam het GVB, vanwege aanhoudende technische defecten, al afscheid van de bussen en verving ze door de Volkswagen LT50. Het object De 590 kwam op 14 maart 1985 in dienst op lijn 30. De beschikbaarheid voor inzet van de wagens was erg ruim voor lijn 30, zodat een deel van de serie ook op andere delen van het busnet werden gebruikt. Twee exemplaren reden tot 1987 langdurig op lijn 56 tussen het Centraal Station en het Amstelstation. Op huurbasis heeft de 590 in 1987 ook dienst gedaan bij Centraal Nederland op de lijnen langs de Amstel tussen Amsterdam en Uithoorn. In juli 1989 gingen de 590 buiten dienst terwijl twee seriegenoten op lijn 26 (Marnixstraat - De Cuserstraat) gingen rijden tot de opheffing in december 1990. In september 1989 kon rest van de serie, door de instroom van de nieuwe midibusjes van Volkswagen, op noodreserve, waarbij veelvuldig beroep werd gedaan op enkele busjes. In mei 1990 werd de gehele serie weer opgeknapt voor de dienst. Voor een speciale tentoonstelling in het Van Goghmuseum in mei 1990 reed er een pendelbus van het museum naar het tot parkeerplaats omgetoverde Olympisch Stadion aan het Stadionplein. Hier stond de 590 als onderkomen voor de chauffeurs. Op 24 mei 1990 gingen onverlaten er met de 590 vandoor en ramden hierbij een lantaarnpaal en een benzinepomp. Het busje werd hierbij zwaar beschadigd en terzijde gesteld. Herstel had plaats in juli en in oktober 1990 werd de wagen verhuurd aan de RET uit Rotterdam. Daar werd het busje gebruikt voor seizoenslijn 42 naar de Kralingse Zoom. Na terugkomst van de RET volgde afvoer bij het GVB en kwam de bus via Berkhof bij Touringcarbedrijf Guus Baggen in Geleen terecht waar hij in oktober 1991 in dienst kwam. De 590 was geschikt gemaakt voor rolstoelvervoer en kreeg een grijze kleur. Het object als erfgoed In 1993 werd de bus door particulieren gekocht en terug naar Amsterdam gebracht waar hij sinds 15 november 1993 is opgenomen in de collectie van Stichting Museum Streek- en Stadsautobussen Amsterdam (MUSA) als het enige nog bestaande exemplaar van deze midibussen. Bij het GVB werd de bus terug gespoten in de originele kleuren. De 590 kwam helaas weinig op straat door diverse technische problemen. In september 2000 reed de bus mee in de Parade ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van het gemeente vervoer. Daarna braken sombere tijden aan. De busgarage werd in maart 2005 vanwege sanerings- en nieuwbouwplannen ontruimd en diverse bussen werden elders in het land ondergebracht. De 590 kwam terecht in een oude boerderij in Langedijk bij Alkmaar en verbleef daar als kraakwacht. Vanwege financiële problemen werd de bus verkocht aan een particulier. Sinds februari 2012 is de bus in beheer bij de stichting Beheer en Restauratie van Amsterdamse Museumbussen (BRAM). BRAM heeft vooral gewerkt aan het achterstallige onderhoud en de bus weer rijvaardig gekregen en periodiek gekeurd. De bus heeft een gedeeltelijke schilderbeurt gekregen in de zomer van 2012.












