
Stadsbus (Gelede stadsbus) Serie: 471-519 Subserie: 496-504 Merk: Volvo Model/uitvoering: Volvo B10M Art J71 - Hainje ST2000 Duvedec
Historische context Bij de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog werd in het openbaar vervoer zoveel mogelijk naar kostenbesparing gekeken. Landelijk regelden de NS dat voor haar dochterondernemingen, maar het stedelijk vervoer lag in handen van de desbetreffende gemeenten en die gingen hun eigen weg op materieelgebied. De gemeentelijke budgetten waren kleiner en dus werden er ook kleinere series bussen besteld. De fabrikanten probeerden hun producten voor een dusdanige prijs aan te bieden dat het voor meerdere bedrijven interessant was om het product bij hun te bestellen. Dat leidde midden jaren vijftig tot sterk op elkaar lijkende of identieke bustypes die in een paar steden gingen rijden; een vorm van standaardisatie. Het inzicht van een lagere prijs bij grotere bestellingen en de grote groei van het busvervoer in en rond de steden leidde er in 1961 toe dat de Commissie Standaardisering Autobusmaterieel (CSA) in het leven werd geroepen. De eerste standaardstadsbus rolde in 1966 van de band, de laatste in 1982. Eind jaren 1970 kwam de commissie weer bij elkaar voor de opvolger; de tweede generatie. Dat type was een minder groot succes. In een laatste verwoede poging om de standaardisatie op gang te houden nam het GVB een voortrekkersrol en liet midden jaren tachtig de CSA-3 ontwerpen door Volvo en Berkhof. Een paar jaar later werd het ontwerpersbureau Duvedec gevraagd om een aantrekkelijke, eigentijdse maar ook tijdloze kop te ontwerpen. Het type Op 21 maart 1989 leverde importeur NEBIM de eerste gelede Volvo met Berkhof/Hainje carrosserrie van het ontwerp van Duvedec af aan het GVB. De bus was in de nieuwe kleurencombinatie gespoten. Omdat de gemeenteraad beducht was voor gelede bussen in het centrum werd rondom een schrikstreep aangebracht. De lijn- en richtingfilms werden vervangen door een filmkast met digitale aangestuurde gele magneetballetjes als aanduiding. Verder hadden ze een mobilofooninstallatie, VeTag-apparatuur en stempelautomaten. De bussen waren ook voorzien van een knielinrichting om de bus te laten zakken bij het halteren. De chauffeur had net als in de tweede generatie standaardstadsbussen de mogelijkheid de voordeur geheel te openen of alleen de voorste helft. Het interieur werd voorzien van vandalismebestendige stoelen en banken van het fabrikaat Vorderegger. Deze bussen waren zogenoemde snellopers en waren dus geschikt voor hogere snelheden. De eerste versnelling was uitgeschakeld. Deze subserie was bedoeld voor de snelbuslijn 48 tussen Station Sloterdijk en Station Zuid WTC en reed grotendeels over de A10 West. Vanwege de eventuele latere doorverkoop waren de bussen voorzien van meer zitplaatsen dan hun voorgangers. Een exemplaar van de eerste bestelling ging in juni 1989 naar Budapest (Hongarije) waar de bus acte-de-presence gaf op het jaarlijkse UITP-congres. In januari 1990 werden diverse wagens van de eerste twee subseries omgebouwd voor de invoering van passagierscirculatie. De stempelautomaten werden verwijderd, bij de uitstapdeuren kwamen halve hekjes om instappen tegen te gaan en de drukknoppen aan de buitenzijde werden afgedekt met plaatjes. Op de deuren kwamen stickers "voor instappen". De nieuwe subseries werden gebouwd zonder de drukknopjes aan de buitenzijde en afgeleverd met klaphekjes. Bij aanvang van de zomerdienst 2006 werd deze subserie en soortgenoten buiten dienst gesteld. In december 2007 reden de overgebleven vier bussen hun laatste rit. Via een handelaar in Groenlo zijn diverse bussen een tweede leven begonnen in het Bulgaarse Varna. Het object De 501 werd afgeleverd op 18 januari 1990 afgeleverd en vier dagen laten in dienst gesteld op lijn 48. In 1999 werd een roetfilter geplaatst, waardoor de motoren voldeden aan de milieunorm Euro 2. Verder bleef de bus nagenoeg ongewijzigd. De laatste ritten werden op 5 juni 2006 gereden als pendeldienst voor metrolijn 53 omdat het traject naar Gaasperplas werd gerenoveerd. In de ruim 16 jaar die de 501 bij het GVB heeft gereden, is de miljoen kilometer ruimschoots gehaald. Via een handelaar in Groenlo kwam de bus terecht bij een autobedrijf in Wouterswoude. De bus bleef daar (net als soortgenoten) onverkocht. Het object als erfgoed Op 20 december 2011 voegde Stichting Beheer en Restauratie van Amsterdamse Museumbussen (BRAM) de 501 toe aan haar collectie. De bus werd overgenomen van Driesumer Auto- en Onderdelenbedrijf BV in het Friese Wouterswoude. De daar eveneens aanwezige 487 leverde reserve-onderdelen. De bus heeft vijf jaar in de open lucht gestaan en dat heeft de bus geen goed gedaan. De bus is onderdak gebracht en opgeslagen.












