Historische context Het begrip "wederopbouw" gold in de periode na de Tweede Wereldoorlog ook in hoge mate voor het Nederlandse voertuigpark. Vrachtauto's waren vooral afkomstig uit legerdumps en deze laatste waren ook de leverancier voor de zgn. "noodbussen". De instroom van grote aantallen (reeds tijdens de oorlog bestelde) Crossley- en Scania-Vabis-bussen bracht verlichting, maar dat gold alleen voor de streekvervoerbedrijven, die onderdeel waren van het NS-concern. Particuliere busbedrijven moesten het doen met mondjesmaat toegewezen voertuigen. In 1950 kwam hierin verandering, toen de gebroeders Van Doorne, die al eerder bekend waren geworden door de bouw van aanhangers, opleggers en speciale constructies, ook begonnen met het bouwen van vrachtauto's en bussen. Dit Nederlandse product werd al snel populair en met deze fabricage van bedrijfswagens leverde DAF dan ook een belangrijke bijdrage aan de wederopbouw van ons land. Het type De eerste DAF-bussen waren nog gebaseerd op een lang vrachtwagenchassis, maar vanaf 1952 ontwikkelde DAF een speciaal autobusprogramma. Dit bestond uit verscheidene chassistypen, die leverbaar waren met een Hercules benzinemotor of een Perkins dieselmotor. In die tijd bouwde DAF namelijk zelf nog geen motoren. Vanaf 1955 voerde men een nieuwe type-aanduiding in. Een veel gevraagd buschassis uit het programma was de B1300, met een toelaatbare achterasdruk van 5.400 kg en geschikt voor een opbouw voor 37 personen. Het object Sinds ca. 1929 was de firma S. Moorman & Zoon uit Den Helder actief als busondernemer. Het wagenpark was altijd bescheiden van omvang en omvatte in de beginjaren allerlei verschillende merken. In 1954 verscheen echter de eerste DAF en dit merk zou men jarenlang trouw blijven. De tweede DAF-bus die Moorman aanschafte was er een van het type B1300, uitgevoerd met een Perkins dieselmotor. Het chassis liet Moorman opbouwen door carrosseriefabriek Smit uit het Groningse Appingedam. Smit maakte daar iets moois van: een carrosserie geheel in de stijl van die tijd, voorzien van een front met veel chroomwerk. Ook het 37-persoons interieur, dat heden ten dage erg eenvoudig overkomt, werd smaakvol uitgevoerd, in rood en crème kunstleer. De bus kreeg het wagenparknummer 5 en deed vele jaren tot grote tevredenheid dienst. Hij werd niet alleen ingezet voor allerlei vormen van groepsvervoer (voor scholen, verenigingen, werklieden, etc.) maar uiteraard vooral voor het toerwerk. Naast dagtochten en binnenlandse reizen kwam de DAF ook in het buitenland. De plakplaatjes op de ruit achter de chauffeursstoel getuigen van de vele binnen- en buitenlandse reizen die de bus destijds heeft gemaakt. Moorman was niet voor niets naast touringcarbedrijf ook reisbureau. Het object als erfgoed De DAF 5 bleef verhoudingsgewijs lange tijd in dienst bij Moorman, maar ook voor hem kwam een tijd van gaan. Nadat de SVA bij haar evenement in Den Helder in 1973 al kennis had gemaakt met de bus en met zijn eigenaar, schonk de heer Moorman zijn DAF in 1975 aan de SVA. Later is de bus nog verschillende keren teruggegaan naar zijn oude eigenaar, die bereid was allerlei klusjes aan de wagen te doen. Ook de SVA zelf heeft inmiddels heel wat werk aan de bus verricht. Zo werden de instapbak en een wielkast geheel vervangen, werd het front opnieuw verchroomd en zijn in- en exterieur onder handen genomen. Deze DAF-toerwagen, die voor velen de sfeer van schoolreisjes en dagtochten doet herleven, heeft bij veel gelegenheden acte de presence gegeven. In 1976 werd zels de reis naar Groot-Brittannië ondernomen, om daar deel te nemen aan één van de vele rallys met historische bussen en andere voertuigen.